ECLI:NL:CRVB:2006:AY5009

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2563 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als medewerkster in een supermarkt, viel op 27 maart 2000 uit wegens psychische klachten. Het UWV weigerde haar per 26 maart 2001 een WAO-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat deze beoordeling terecht was en verwierp de grieven van appellante over een onzorgvuldige medische beoordeling en onderschatting van psychische beperkingen.

In hoger beroep stelde appellante dat het UWV haar situatie te rooskleurig inschatte en dat zij in de praktijk slechts 18 uur per week kon werken. Ook stelde zij dat een later aangenomen duurbeperking van 30 uur per week ook al ten tijde van 26 maart 2001 had moeten gelden. De Raad concludeerde echter dat de aanvullende medische informatie van de behandelend psychiater pas vanaf augustus/september 2002 dateert, ruim na de peildatum, en dat deze geen aanleiding geeft tot twijfel over de oorspronkelijke beoordeling.

De Raad baseerde zich op de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die de medische situatie zorgvuldig hadden beoordeeld. De informatie van de huisarts en het RIAGG werd meegenomen maar leidde niet tot een andere conclusie. De Raad zag geen reden om het bestreden besluit te wijzigen en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 26 maart 2001.

Uitspraak

04/2563 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2004, 02/5657 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij FNV Ledenservice te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Bij brief van 10 januari 2006 heeft mr. Bollen, voornoemd, de Raad meegedeeld dat hij niet langer als gemachtigde van appellante optreedt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellante is in persoon verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. G. Koopman.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, destijds werkzaam als medewerkster in een supermarkt gedurende 32 uur per week is, op 27 maart 2000 uitgevallen in verband met psychische klachten.
Bij besluit van 21 november 2001 is aan appellante per 21 maart 2001 (lees: 26 maart 2001) toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat zij na voltooiing van de wachttijd van
52 weken, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 22 november 2002 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van
21 november 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot de conclusie gekomen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 26 maart 2001 terecht en op goede gronden heeft bepaald op minder dan 15%.
De namens appellante naar voren gebrachte grieven inhoudende dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding, de psychische beperkingen zijn onderschat en ten onrechte geen duurbeperking is aangenomen, zijn door de rechtbank verworpen.
In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat het Uwv haar medische situatie te rooskleurig inschat. Gelet op de aan het Uwv ter beschikking staande informatie van de behandelend psychiater kan appellante niet in staat worden geacht tot een arbeidsverrichting van 32 uur per week op de in geding zijnde datum 26 maart 2001. In de praktijk is volgens appellante voorts gebleken dat ze 18 uur werken per week slechts met moeite kan volhouden.
Verder is gesteld dat de in een later stadium door het Uwv ten aanzien van haar aangenomen duurbeperking tot maximaal 30 uur per week, al is ook dit een te optimistische inschatting van haar duurbelastbaarheid, in ieder geval ook ten tijde hier in geding moet gelden.
De grieven van appellante worden door de Raad niet onderschreven. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts N. Sarnevesht en de bezwaarverzekeringsarts S.C. Hekkelman-de Bie. De bezwaarverzekeringsarts heeft de namens appellante overgelegde brief van de huisarts van 24 april 2002, waarin onder meer onderzoeksbevindingen van het RIAGG zijn weergegeven, in haar oordeelsvorming betrokken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie omtrent appellantes psychische gezondheidstoestand ter beschikking stond om tot een verantwoorde oordeelsvorming te komen en kan zich evenals de rechtbank vinden in het gemotiveerde oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de door de huisarts en het RIAGG verstrekte gegevens geen aanleiding vormen tot een bijstelling van de door het Uwv ten aanzien van appellante aangenomen (duur)belastbaarheid.
De inmiddels aan het Uwv ter beschikking staande informatie van de behandelend psychiater waar appellante in haar hoger beroepschrift naar verwijst betreft blijkens het verweerschrift een brief van de psychiater L.F.M. Goessens van 19 juni 2003. Uit het door het Uwv in hoger beroep overgelegde rapport van de verzekeringsarts R.J. van Pinxteren van 13 maart 2003 leidt de Raad af dat appellante eerst sedert augustus/september 2002, derhalve ruim na de hier in geding zijnde datum van
26 maart 2001, bij psychiater Goessens onder behandeling is gekomen. De Raad is van oordeel dat nu de door psychiater Goessens bij brief van 19 juni 2003 verstrekte informatie ziet op de psychische gezondheidsstoestand van appellante ruim na de hier in geding zijnde datum deze informatie geen twijfel oproept aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
De Raad overweegt vervolgens dat het gegeven dat het Uwv per medio 2002 een verslechtering van de psychische gezondheidsstoestand van appellante heeft vastgesteld, hetgeen onder meer heeft geleid tot het aannemen van een duurbeperking tot 30 uur per week, geen betekenis toekomt voor de vraag of de belastbaarheid van appellante op de thans voorliggende datum van 26 maart 2001 correct is vastgesteld.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.