ECLI:NL:CRVB:2006:AY5009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerkster in een supermarkt, viel op 27 maart 2000 uit wegens psychische klachten. Het UWV weigerde haar per 26 maart 2001 een WAO-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat deze beoordeling terecht was en verwierp de grieven van appellante over een onzorgvuldige medische beoordeling en onderschatting van psychische beperkingen.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV haar situatie te rooskleurig inschatte en dat zij in de praktijk slechts 18 uur per week kon werken. Ook stelde zij dat een later aangenomen duurbeperking van 30 uur per week ook al ten tijde van 26 maart 2001 had moeten gelden. De Raad concludeerde echter dat de aanvullende medische informatie van de behandelend psychiater pas vanaf augustus/september 2002 dateert, ruim na de peildatum, en dat deze geen aanleiding geeft tot twijfel over de oorspronkelijke beoordeling.
De Raad baseerde zich op de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die de medische situatie zorgvuldig hadden beoordeeld. De informatie van de huisarts en het RIAGG werd meegenomen maar leidde niet tot een andere conclusie. De Raad zag geen reden om het bestreden besluit te wijzigen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 26 maart 2001.