ECLI:NL:CRVB:2006:AY5011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting toegenomen vermoeidheidsklachten
Appellante ontving sinds 1990 een WAO-uitkering vanwege chronische vermoeidheid met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35%. Na melding van toegenomen klachten in 2001 stelde het UWV in 2003 het percentage ongewijzigd vast. Na bezwaar verhoogde het UWV dit naar 35-45% per 1 februari 2002.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de functies die appellante kon verrichten binnen haar belastbaarheid vielen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar toegenomen vermoeidheidsklachten door het Coxsackievirus onvoldoende waren meegewogen en dat de belastbaarheid van de functies, zoals medewerker snelbraad, werd overschreden.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de medische stukken geen objectieve aanwijzingen bevatten voor een toename van beperkingen per de datum in geschil. De medische experts concludeerden dat de klachten passen bij chronisch vermoeidheidssyndroom en dat de hoge titer tegen Coxsackie B4 een toevalstreffer was. Ook de arbeidskundige beoordeling bevestigde dat de voorgehouden functies binnen het belastbaarheidspatroon vielen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De Raad achtte het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.