ECLI:NL:CRVB:2006:AY5126

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1282 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArbowet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens geen arbeidsbeperkingen door lawaaidoofheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar tegen de afwijzing van een WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het UWV had op basis van medisch onderzoek geconcludeerd dat appellant geen beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid vanwege lawaaidoofheid.

De Raad overweegt dat de verzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat de conclusie dat appellant geen arbeidsbeperkingen heeft, wordt onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts. Deze laatste hield ook rekening met gehoorklachten en verwees naar de zorgplicht van de werkgever voor gehoorbescherming volgens de Arbowet.

De Raad ziet geen aanleiding voor een aanvullend medisch onderzoek omdat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die het eerdere oordeel zouden kunnen veranderen. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd en wordt het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen beperkingen heeft en wijst het beroep af.

Uitspraak

04/1282 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2004, 03/876 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 21 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 14 oktober 2002 is geweigerd aan appellant per 11 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 3 februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het evenvermelde besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts. Hetgeen in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de onderzoeken van het Uwv niet, althans onvoldoende, gericht waren op zijn situatie per einde wachttijd. Appellant is van oordeel dat het Uwv geen juist beeld heeft van de lawaaidoofheid per de datum in geding. Ten onrechte is er geen nieuw (onafhankelijk) onderzoek gedaan naar de beperkingen ten gevolge van de lawaaidoofheid.
De Raad overweegt als volgt.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts H. Nouri op basis van een zorgvuldig onderzoek tot de conclusie is gekomen dat voor appellant geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid gelden. Deze conclusie is door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink onderschreven. Weegink heeft in de heroverweging de - in bezwaar aangegeven - gehoorklachten betrokken en zich op het standpunt gesteld dat de werkgever in het kader van de Arbo-wet zorg dient te dragen voor gehoorbescherming.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad ziet geen aanleiding voor het doen instellen van een nader medisch onderzoek naar de gehoorklachten nu deze klachten door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling zijn betrokken en er van de zijde van appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidssituatie.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigt dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.