ECLI:NL:CRVB:2006:AY5127

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1349 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te beëindigen per 1 mei 2001, omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt is en duurzaam in staat wordt geacht inkomsten te verwerven.

De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere stellingen over het ontbreken van tijdige en zorgvuldige beoordelingen, maar de Centrale Raad van Beroep vond deze argumenten onvoldoende om het eerdere oordeel te wijzigen.

De Raad overweegt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is en dat de uitkering daarom terecht is beëindigd. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

04/1349 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 januari 2004, 03/918 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 21 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is niet verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Diekema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 12 april 2001 heeft het Uwv bepaald dat appellant, die in het genot was van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in de klasse 15 tot 25%, op basis van zijn inkomsten uit arbeid per 1 mei 1998 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, in verband waarmee zijn uitkering onder toepassing van
artikel 44 van Pro de WAO niet wordt uitbetaald.
Bij besluit van 22 januari 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 1 mei 2001 beëindigd omdat appellant met ingang van die datum in staat wordt geacht duurzaam inkomsten te verwerven.
Bij besluit van 2 juni 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2003 ongegrond verklaard.
Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant herhaald wat hij reeds in bezwaar en beroep had aangevoerd, namelijk dat hij vanaf 1 mei 1998 periodiek voor een gesprek had moeten worden opgeroepen en dat in 2001 een zorgvuldige en tijdige beoordeling had moeten plaatsvinden.
De Raad is evenals de rechtbank, en onder overneming van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden, van oordeel dat het bestreden besluit stand kan houden. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd
- in essentie een herhaling van de argumenten die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, en welke argumenten de rechtbank terecht en op goede gronden heeft verworpen - heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.