ECLI:NL:CRVB:2006:AY5128

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7059 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbToeslagenwetAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afbouw toeslag na termijnoverschrijding

Appellant ontving op 11 juli 2001 een besluit van het Uwv waarin werd meegedeeld dat zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet in drie jaar zou worden afgebouwd. Appellant maakte pas op 28 november 2004 bezwaar tegen dit besluit, ruim drie jaar na ontvangst. Het Uwv verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant geen gegronde reden had voor het late bezwaar.

In hoger beroep voerde appellant geen nieuwe argumenten aan die het late bezwaar konden rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring. De Raad merkte op dat geen gronden aanwezig waren voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door J. Janssen namens de Centrale Raad van Beroep op 14 juli 2006. Hiermee is het bezwaar definitief afgewezen vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afbouw van de toeslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

05/7059 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Fillippijnen) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2005, 05/573 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 november 2000, verzonden aan het juiste adres van appellant op 11 juli 2001, is aan appellant meegedeeld dat de toeslag die hij ontvangt ingevolge de Toeslagenwet (TW) wordt afgebouwd in een periode van drie jaar. Over het jaar 2000 ontvangt hij nog de volledige toeslag, over het jaar 2001 2/3 van de toeslag, over het jaar 2002 1/3 van de toeslag en met ingang van 1 januari 2003 wordt de toeslag geheel beëindigd.
Bij brief van 28 november 2004, door het Uwv ontvangen op 8 december 2004, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de toeslag ingevolge de TW.
Bij besluit van 7 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (waarbij appellant als “eiser” is aangeduid en het Uwv als “verweerder”):
“De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 28 november 2000, verzonden aan eiser op 11 juli 2001, aan eiser heeft meegedeeld, dat de toeslag die hij ontvangt ingevolge de Toeslagenwet wordt afgebouwd in een periode van drie jaar. Bij brief van 22 augustus 2001 heeft eiser aan verweerder een aantal vragen gesteld omtrent de beëindiging van de toeslag. Hieruit blijkt dat eiser het besluit in ieder geval vóór 22 augustus 2001 heeft ontvangen.
Naar aanleiding van een herbeoordeling van eisers arbeidsongeschiktheid in het kader van de hem toegekende Wajong-uitkering heeft eiser bij brief van 20 november 2004 (lees: 28 november 2004), derhalve ruim drie jaar na ontvangst van het besluit, bezwaar gemaakt tegen het besluit tot afbouwen van zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift onder meer aangevoerd dat hij het besluit van 28 november 2000 later dan zes weken na de dagtekening heeft ontvangen, waardoor hij destijds geen bezwaar meer kon maken binnen de wettelijke bezwaartermijn.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest. De stelling van eiser dat hij destijds geen bezwaar heeft kunnen maken omdat de wettelijke bezwaartermijn reeds was verstreken kan eiser, wat hier ook van zij, op dit moment geen soelaas bieden, nu hij eerst drie jaar nadat hij het besluit heeft ontvangen alsnog bezwaar heeft gemaakt.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.”
De Raad kan deze overwegingen van de rechtbank volledig onderschrijven en maakt deze tot de zijne. De Raad merkt hierbij op dat appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan hem niet kan worden verweten dat hij, terwijl vaststaat dat hij het besluit van 28 november 2000 in ieder geval op een tijdstip vóór 22 augustus 2001 heeft ontvangen, eerst bij brief van 28 november 2004 daartegen bezwaar heeft ingediend bij het Uwv.
Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.