ECLI:NL:CRVB:2006:AY5134

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-198 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Termijnoverschrijding bezwaar tegen intrekking WAO-uitkering niet verschoonbaar

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar van betrokkene tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering ontvankelijk had verklaard ondanks termijnoverschrijding.

Het besluit tot intrekking van de uitkering dateert van 4 augustus 2004, met ingang van 5 oktober 2004. Betrokkene maakte bezwaar op 17 september 2004, na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken die op 15 september 2004 eindigde. Betrokkene stelde dat het besluit niet tijdig was verzonden, waardoor het bezwaar tijdig was ingediend.

De Raad overweegt dat betrokkene niet heeft betwist het besluit te hebben ontvangen en dat er geen feiten zijn die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen, zoals psychische klachten die het tijdig indienen van bezwaar redelijkerwijs onmogelijk maakten. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De termijnoverschrijding voor het indienen van bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering is niet verschoonbaar en het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

06/198 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2005, 05/502 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 21 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 7 februari 2006 een afschrift van een aan hem gericht schrijven van betrokkene, gedateerd
4 oktober 2004, overgelegd.
Van de zijde van betrokkene is een nader schrijven, gedateerd 29 mei 2006, in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant was vertegenwoordigd door mr. C. Vork. Betrokkene is -met voorafgaand bericht- niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft bij besluit van 4 augustus 2004 de aan betrokkene toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 5 oktober 2004 ingetrokken.
Tegen dat besluit heeft betrokkene bij brief, gedagtekend 17 september 2004, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 december 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van
4 augustus 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat het bezwaarschrift is ingediend na afloop van de bezwaartermijn en dat er geen sprake is van een zodanige reden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht moet worden.
In beroep is door betrokkene aangevoerd dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend omdat appellant niet heeft aangetoond dat het besluit op 4 augustus 2004 is verzonden.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank staat niet vast wanneer de bezwaartermijn van zes weken is gaan lopen omdat appellant op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit ook op 4 augustus 2004 verzonden is. De constatering dat betrokkene te laat bezwaar heeft gemaakt kan volgens de rechtbank op grond van de in het dossier aanwezige stukken niet worden getrokken.
Appellant betwist in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank, waarbij hij -kort samengevat- aanvoert dat betrokkene niet heeft weersproken dat hij het besluit van 4 augustus 2004 -tijdig- heeft ontvangen. Uit de inhoud van de brief van 4 oktober 2004 blijkt dat betrokkene ruimschoots voor afloop van de bezwaartermijn kennis heeft genomen van het besluit van 4 augustus 2004 zodat hij tijdig bezwaar heeft kunnen instellen.
Namens betrokkene is in het nadere schrijven van 29 mei 2006 naar voren gebracht dat ontvangst van het besluit van
4 augustus 2004 niet is ontkend, maar wel dat de datum van verzending genoegzaam is aangetoond zodat niet is aangetoond op welke dag de bezwaartermijn is aangevangen, noch op welke dag deze eindigt. Voorts is gesteld dat zo er al sprake is van een termijnoverschrijding, appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden niet zouden moeten leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.
De Raad overweegt als volgt.
In het voorliggende geval heeft betrokkene niet betwist dat hij het besluit van 4 augustus 2004 heeft ontvangen. In een zodanige situatie vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop appellant het besluit ter post heeft bezorgd.
De Raad ziet geen grond om te betwijfelen dat het besluit van 4 augustus 2004, zoals appellant in het bestreden besluit heeft gesteld, op 4 augustus 2004 is verzonden. De bezwaartermijn is derhalve aangevangen op 5 augustus 2004 en de laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend, was 15 september 2004.
Nu betrokkene het bezwaarschrift heeft ingediend op 17 september 2004, is de termijn overschreden.
De Raad overweegt vervolgens dat betrokkene voorts niet heeft gesteld dat de ontvangst van het besluit van 4 augustus 2004 op een zodanig tijdstip heeft plaatsgevonden dat hij redelijkerwijs niet binnen de termijn een -voorlopig- bezwaarschrift kon indienen.
De Raad heeft ook anderszins in de dossierstukken geen feiten of omstandigheden aangetroffen op grond waarvan de termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschoonbaar kan worden geacht. De Raad kan zich verenigen met hetgeen appellant in het bestreden besluit ten aanzien van het schrijven van betrokkene van 4 oktober 2004 heeft overwogen. De Raad voegt hier aan toe dat hij geen objectief medische aanknopingspunten heeft aangetroffen om aannemelijk te achten dat betrokkene ten gevolge van psychische ziekteverschijnselen redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.