ECLI:NL:CRVB:2006:AY5210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering, die was toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad verwijst naar het eerdere onderzoek van verzekeringsarts Kemperman, die een functionele beperkingenlijst opstelde en concludeerde dat appellant geschikt was voor gangbare arbeid ondanks enkele beperkingen.
De medische gegevens, waaronder rapporten van een revalidatiearts, internist en psychiater, boden geen grond voor volledige arbeidsongeschiktheid. Het arbeidskundig onderzoek toonde aan dat appellant een passende functie werd aangeboden die overeenkwam met zijn bekwaamheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de subjectieve klachten van appellant niet doorslaggevend waren. De uitkering werd terecht ingetrokken per 5 juni 2002. Er werd geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juli 2006, waarbij het hoger beroep van appellant werd afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 5 juni 2002 wordt bevestigd wegens het ontbreken van volledige arbeidsongeschiktheid.