ECLI:NL:CRVB:2006:AY5226

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3248 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing UWV over arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies WAO-uitkering

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV van 24 november 2003, waarin hij na een wachttijd van 52 weken werd aangemerkt als arbeidsongeschikt voor 65 tot 80% en in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering. Het geschil betrof de geschiktheid van geselecteerde functies, waaronder consultatiebureau assistent en bestelautochauffeur, waarvan appellant stelde dat deze de vastgestelde medische beperkingen overschreden.

De Raad overwoog dat de medische beperkingen door de verzekeringsartsen van het UWV correct waren vastgesteld en dat de functies, zoals beoordeeld door de bezwaararbeidsdeskundige, passend waren binnen de beperkingen van appellant. De Raad nam daarbij ook de functieomschrijvingen en arbeidspatronen in beschouwing, onder meer dat het incidenteel 's avonds werken bij de functie bestelautochauffeur niet zodanig was dat deze functie buiten beschouwing moest blijven.

De Raad concludeerde dat de functies passend waren en dat het hoger beroep niet slaagde. De rechtbankuitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee bleef de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de onderliggende functiebeschrijvingen ongewijzigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

04/3248 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 april 2004, 03/1383 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 21 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.E. Elgersma, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift -met bijlage- ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding is aan de orde of het Uwv bij besluit van 24 november 2003 (hierna: bestreden besluit) terecht heeft besloten appellant na het vervullen van de wachttijd van 52 weken met ingang van 15 maart 2001 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende (duur)beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van tien functies, vallend onder vier verschillende zogeheten Fb-codes, waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid 73% bedraagt.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat en op welke gronden het bestreden besluit van 24 november 2003 in rechte stand kan houden.
In hoger beroep is namens appellant -kort samengevat- aangevoerd dat de functie consultatiebureau assistent onder Fb-code 5429 en de functies bestelautochauffeur onder Fb-code 9855 ten onrechte aan de schatting ten grondslag zijn gelegd omdat in deze functies de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant wordt overschreden.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat noch is gesteld noch is gebleken dat de medische beperkingen van appellant door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv niet juist zijn vastgesteld.
Met betrekking tot de passendheid in medisch opzicht van de geselecteerde functies komt de Raad tot de conclusie dat de door de bezwaararbeidsdeskundige L.C. Wilbrink geschikt geachte functies, vallend onder de Fb-codes 3804, 5429, 8538 en 9855, als grondslag voor de onderhavige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid kunnen dienen omdat in deze functies geen zwaardere eisen worden gesteld dan op grond van de voor appellant geldende medische beperkingen verantwoord en mogelijk moet worden geacht.
De Raad heeft reeds meermalen overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 27 maart 1998 gepubliceerd in USZ 1998/133, dat in beginsel van de juistheid van de in het Functie Informatie Systeem (FIS) vermelde gegevens wordt uitgegaan. Ten aanzien van de functie consultatiebureau assistent (functienummer 9462-0181-008) met 10 arbeidsplaatsen onder Fb-code 5429 gaat de Raad er dan ook vanuit dat de in de verwoording functiebelasting van deze functie weergegeven belasting op het aspect tillen: “5 keer per uur 5 kg, soms een zuigeling” een juiste afspiegeling vormt van de in die functie werkelijk voorkomende belasting. De Raad ziet voorts in de verkorte functie-omschrijving behorend bij deze functie geen aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat de belasting op het aspect tillen in deze functie zwaarder is dan zoals weergegeven in de verwoording functiebelasting. Anders dan in de functie-omschrijving van de voor appellant niet geschikt bevonden functie ass. consultatiebureau 20 upw (functienummer 9388-9990-002) wordt in de functie-omschrijving van de wel geschikt geachte functie consultatiebureau assistent niet vermeld dat de functionaris zelf bij voorkeur de zuigeling in de weegschaal legt. Volgens de verwoording functiebelasting van de functie consultatiebureau assistent moet slechts soms een zuigeling worden getild, hetgeen niet in tegenspraak is met de functie-omschrijving. Voorts wordt het tillen van kleuters blijkens de verwoording functiebelasting en de functieomschrijving niet van de functionaris gevraagd.
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de belasting op het aspect tillen in de functie consultatiebureau assistent de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
Ten aanzien van de functies bestelautochauffeur onder fb-code 9855 overweegt de Raad dat het bij deze functies behorende arbeidspatroon zoals vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst bezien in samenhang met de inhoud van de verkorte functieomschrijvingen de conclusie rechtvaardigt dat slechts incidenteel sprake zal zijn van ’s avonds werken in deze functies. De Raad kan zich volledig vinden in de door de bezwaararbeidsdeskundige L.C. Wilbrink in de rapportage van 11 september 2003 dienaangaande gegeven toelichting. De Raad voegt hier aan toe dat de overschrijding van het voor appellant toegestane arbeidspatroon van zodanig incidentele aard is dat niet aannemelijk is dat daardoor de functies bestelautochauffeur buiten aanmerking zouden moeten worden gelaten.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
RG