ECLI:NL:CRVB:2006:AY5327

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1504 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FooienbesluitArt. 7 Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Premieplicht over CAO-loon ondanks lagere betaling en fooienafdracht

Appellante exploiteert een Chinees-Indisch specialiteitenrestaurant en betaalde haar meewerkende zonen minder dan het volgens de horeca-CAO geldende minimumloon. Het UWV voerde een looncontrole uit over 1997-2001 en stelde correctie- en boetenota's op wegens het niet naleven van de CAO-lonen en het niet premievrij afdragen van fooien.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht premies over het CAO-loon had opgelegd, ook al werd minder betaald. Appellante voerde aan dat de fooien als negatief loon aan de ouders werden afgedragen, waardoor hierover geen premie verschuldigd zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelt dat appellante geen bewijs heeft geleverd dat de fooien daadwerkelijk werden afgedragen en dat het UWV de juiste wettelijke regels toepaste. De premieplicht over het CAO-loon blijft daarmee onverminderd van kracht.

Uitkomst: De premieplicht over het CAO-loon blijft van kracht ondanks lagere betaling en de stelling dat fooien werden afgedragen.

Uitspraak

05/1504 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 januari 2005, 03/1631 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 27 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.T.M. van Loon, verbonden aan Berk Accountants en Belastingadviseurs te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006. Namens appellante is verschenen mr. Van Loon. Het Uwv heeft zich zoals tevoren schriftelijk bericht niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop berustende regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
Appellante exploiteert een Chinees-Indisch specialiteitenrestaurant. Bij haar is vanwege het Uwv op 24 mei 2002 een looncontrole gehouden over de jaren 1997 tot en met 2001. Bij die controle is geconstateerd dat appellante niet aan de beide meewerkende zonen tenminste het ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf geldende minimumloon heeft uitbetaald. Met toepassing van het op artikel 7 van Pro de CSV gebaseerde besluit van 21 december 1989 van de Sociale Verzekeringsraad inzake waardering van fooien (hierna: het Fooienbesluit) heeft het Uwv appellante over de jaren 1998 tot en met 2001 correctie- en boetenota’s doen toekomen.
Bij besluit van 2 mei 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de aan haar opgelegde nota's ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard en heeft in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat het Uwv juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3, eerste lid, van het Fooienbesluit. Indien een werkgeefster als appellante er voor kiest om minder te betalen dan het algemeen verbindend verklaarde CAO-loon, is zij niettemin premies verschuldigd over het CAO-loon. Het Uwv heeft naar oordeel van de rechtbank terecht correctienota's opgelegd. Ook heeft het Uwv op goede gronden en in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen inzake boeteoplegging boetenota's opgelegd.
Appellante heeft de juistheid van deze uitspraak bestreden. Zij heeft haar standpunt herhaald dat beide meewerkende zonen verplicht waren de fooien die zij ontvingen af te dragen aan hun ouders. Dit vormt negatief loon waarover geen premie is verschuldigd.
De Raad kan zich geheel vinden in de aangevallen uitspraak. Daaraan voegt hij nog toe dat het betoog van appellante niet kan slagen reeds omdat geen begin van bewijs is geleverd dan wel anderszins aannemelijk is gemaakt dat de fooien ook daadwerkelijk werden afgedragen.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet.
De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
EK2107