Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03/2985 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV tot weigering van een WAO-uitkering, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt is. De rechtbank had dit besluit eerder bevestigd.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat, onderbouwd met een rapport van een zenuwarts. De Raad heeft dit rapport beoordeeld en stelt vast dat de diagnose pijnstoornis niet leidt tot de conclusie dat appellante geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt dat lichamelijke activiteiten bij fibromyalgie juist moeten worden aangemoedigd en dat willekeurige fysieke beperkingen niet gesteld mogen worden.

De Raad sluit zich aan bij de eerdere beoordeling van de rechtbank en het UWV en ziet geen reden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

03/2985 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 mei 2003, 02/707 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante is onderzocht door de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, die op haar verzoek een rapport heeft opgesteld. Het commentaar van de verzekeringsarts heeft geleid tot enkele reacties over en weer door de betrokken medici. Het Uwv heeft op 1 juni 2006 een nadere toelichting door zijn verzekeringsarts ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Moor.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze, onbetwist door partijen, heeft vastgesteld.
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 24 juni 2002 (het bestreden besluit) waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 9 januari 2002 tot weigering van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 21 augustus 2001, omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante ondanks haar uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen in staat is tot het verrichten van gangbare arbeid als bankbediende, printplatenmonteur en medewerkster vul- en stikwerk en daarmee ten minste 85% van haar zogenaamde maatvrouwloon kan verdienen.
In hoger beroep heeft appellante de beroepsgrond herhaald dat haar medische beperkingen zijn onderschat. De Raad verenigt zich met de verwerping van deze beroepsgrond door de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daartoe hebben geleid. De door appellante in hoger beroep overgelegde rapportage van de zenuwarts Busard leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarvoor verwijst de Raad naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, die naar het oordeel van de Raad terecht er op wijst dat Busard weliswaar een pijnstoornis heeft vastgesteld, maar de door hem aangegeven zwaardere arbeidsbeperkingen niet relateert aan deze diagnose, doch aan de persoon en het door hem in kaart gebrachte persoonlijk reageren van appellante. Busard laat lichamelijk onderzoek achterwege: hij veronderstelt daarbij bekend dat er bij fibromyalgie geen evidente pathologie “kan worden vastgelegd”. De bezwaar-verzekeringsarts wijst er op dat naar huidige medische inzichten bij deze diagnose lichamelijke activiteiten moeten worden aangemoedigd. Waar, als in het onderhavige geval, somatische beperkingen daaraan niet in de weg staan, moet het stellen van willekeurige fysieke beperkingen worden vermeden. De Raad kan de bezwaar-verzekeringsarts volgen in zijn oordeel dat de door Busard gestelde diagnose en zijn bevindingen niet zijn conclusie kunnen schragen dat bij appellante ten tijde van belang iedere duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheid ontbreekt.
Ook overigens ziet de Raad, met de rechtbank en bij het licht van de hem op grond van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toekomende beoordeling, geen aanleiding het bestreden besluit voor onrechtmatig te houden.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Gunter.
PR/290606