ECLI:NL:CRVB:2006:AY5366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5719 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 4 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 5 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 6 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 7 Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen correctienota's UWV inzake toepassing Fooienbesluit 2002 op kok

Appellante exploiteert een Chinees-Indisch restaurant en kreeg van het UWV correctienota's opgelegd naar aanleiding van een looncontrole over de jaren 1998 tot en met 2002. Het UWV stelde dat appellante niet het minimumloon had betaald aan haar kok, waarbij het Fooienbesluit 2002 werd toegepast voor de jaren vanaf 2002.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze correctienota's ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Zij stelde dat de kok niet onder de reikwijdte van het Fooienbesluit 2002 viel, gelet op eerdere jurisprudentie van de Raad.

De Raad oordeelde dat het beroep gegrond is en vernietigde het besluit van het UWV voor zover het de correctie over 2002 betrof. De Raad baseerde zich daarbij op eerdere uitspraken waarin een vergelijkbare situatie was beoordeeld. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV over de correctie in 2002 wordt vernietigd.

Uitspraak

05/5719 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 augustus 2005, 05/453 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 27 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft G.A.W. Holland, verbonden aan Belastingconsulent- Administratiekantoor Ch. S. Wong te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 juni 2006. Partijen zijn aldaar niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop berustende regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
Appellante exploiteert een Chinees-Indisch Restaurant. Bij appellante is vanwege het Uwv op 10 november 2003 een looncontrole gehouden over de jaren 1998 tot en met 2002. Bij die controle is geconstateerd dat appellante niet aan de voor haar werkzame kok tenminste het ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf geldende minimumloon heeft uitbetaald. Met toepassing van het op artikel 7 van Pro de CSV gebaseerde besluit van
21 december 1989 van de Sociale Verzekeringsraad inzake waardering van fooien (hierna: het Fooienbesluit 1989), welk Besluit is vervallen met ingang van 1 januari 2002 met inwerkingtreding per 1 januari 2002 van het Besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen van 21 november 2001, Stcrt. 2001, 249 (hierna: Fooienbesluit 2002), waarin in artikel 4 is Pro bepaald dat het Fooienbesluit 1989 van toepassing blijft voor premiebetalingtijdvakken, welke zijn gelegen vóór 1 januari 2002, heeft het Uwv appellante over de jaren 1998 tot en met 2002 correctienota’s doen toekomen.
Bij besluit van 19 maart 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de aan haar opgelegde correctienota's ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij heeft daartoe doen aanvoeren dat gezien de jurisprudentie van deze Raad de voor haar werkzame kok niet onder de reikwijdte van het Fooienbesluit 2002 valt.
De Raad verenigt zich met dit betoog. Daarbij heeft hij in het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen hij in een vergelijkbare situatie als waarin appellante verkeert, heeft overwogen in zijn uitspraken van 14 juli 2005 en 10 november 2005, welke uitspraken zijn te raadplegen op rechtspraak.nl onder nummer AU0055 en AU5967.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, begroot op € 322,-- voor het geding in eerste aanleg, en voor € 322,-- voor het geding in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2004 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover dat ziet op de over 2002 gehandhaafde correctie;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 687,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.