ECLI:NL:CRVB:2006:AY5564

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4941 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dienstbetrekking bij intreden arbeidsongeschiktheid ondanks vernietiging arbeidsovereenkomst

De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een uitspraak van de rechtbank over de toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer vernietigd was wegens dwaling en dat daardoor op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid geen dienstbetrekking bestond.

De Raad overwoog dat het bestaan van een dienstbetrekking wordt bepaald aan de hand van feitelijke omstandigheden, waarbij de drie essentiële kenmerken - persoonlijke arbeidsverrichting, loonbetalingsverplichting en gezagsverhouding - aanwezig waren op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. De vernietiging van de arbeidsovereenkomst laat het bestaan van de dienstbetrekking onverlet.

Daarnaast werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat de werkgever had afgezien van terugvordering van het loon. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid een dienstbetrekking bestond ondanks vernietiging van de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

05/4941 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2005, 04/2119 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 26 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Versteegh, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 24 mei 2006. Voor appellante is verschenen mr. F.G.N. Vergeer, advocaat te Leiden. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft het Uwv aan [D.] (hierna: betrokkene) met ingang van 28 oktober 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2002 het arbeidsongeschiktheidspercentage van betrokkene met ingang van 24 december 2002 vastgesteld op 80 tot 100, welk besluit het Uwv na bezwaar van appellante heeft gehandhaafd bij besluit van 1 april 2004 (hierna: het bestreden besluit).
Appellante stelt zich in beroep en in hoger beroep op het standpunt dat betrokkene op 23 april 2001 bij haar in dienst is getreden. Appellante stelt dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst sprake is geweest van dwaling van haar zijde en zij bij brief van 11 april 2003 de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst jegens betrokkene heeft ingeroepen. Appellante stelt dat ten gevolge van de vernietiging retrospectief moet worden vastgesteld dat betrokkene op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zijnde 29 oktober 2001, niet in dienst van appellante stond.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat vernietiging van de arbeidsovereenkomst onverlet laat dat tussen appellante en betrokkene op de datum van intreden van de arbeidsongeschiktheid een dienstbetrekking bestond in de zin van artikel 3 van Pro de WAO. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bestaan van een dienstbetrekking wordt vastgesteld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval en dat niet in geschil is dat de drie essentiële kenmerken van de dienstbetrekking, te weten een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een loonbetalingsverplichting en een gezagsverhouding, aanwezig waren op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Naar aanleiding van het ter zitting van de Raad door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Raad dat het onderhavige geval niet gelijk is aan het door appellante bedoelde geval, aangezien appellante desgevraagd heeft aangegeven te hebben afgezien van terugvordering van het aan betrokkene betaalde loon. Reeds om deze reden faalt het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) C.M.T. Kruls.