ECLI:NL:CRVB:2006:AY5566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Verlaging gewenningstoeslag en vaststelling dagloon bij WW-uitkering
In deze zaak staat de vraag centraal of bij de vaststelling van het dagloon voor een WW-uitkering een gewenningstoeslag van 80% of 60% moet worden gehanteerd. Betrokkene was werkzaam bij Interpay en ontving een gewenningstoeslag die volgens de geldende CAO in vier jaar werd afgebouwd. De discussie spitst zich toe op de periode waarin betrokkene ouderschapsverlof opnam en of de verlaging van de toeslag in die periode meegenomen mag worden.
De rechtbank had geoordeeld dat de situatie op 1 september 2003 leidend was, waardoor een toeslag van 80% moest gelden. Appellant (het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) stelde echter dat recente loonwijzigingen, waaronder verlagingen krachtens CAO-regelingen, ook in de referteperiode moeten worden meegenomen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit standpunt en wijst op artikel 5 van Pro de Algemene Dagloonregels en het dervingsbeginsel uit de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.
De Raad oordeelt dat de verlaging van de gewenningstoeslag naar 60% correct is meegenomen in het dagloon, ook al viel deze wijziging in de periode van ouderschapsverlof. Artikel 45 van Pro de WW, waarop de rechtbank zich baseerde, is volgens de Raad ten tijde van deze zaak buiten toepassing. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 20 april 2005 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 20 april 2005 wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de gewenningstoeslag naar 60% wordt bevestigd.