ECLI:NL:CRVB:2006:AY5572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf en verzekeringsstatus
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een WW-uitkering door het UWV. De rechtbank had geoordeeld dat appellant geen rechtmatig verblijf had op het moment van de aanvraag en daardoor niet als verzekerde kon worden beschouwd. Tevens was appellant niet doorlopend in dienst bij dezelfde werkgever, waardoor de verplichte verzekering met terugwerkende kracht mocht worden beëindigd.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor doorlopende dienstbetrekking bij dezelfde werkgever vanaf 15 mei 1998. De arbeidsovereenkomsten bij verschillende werkgevers en de beëindiging daarvan ondersteunen dit standpunt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van informatie over de beëindiging van de verzekering worden verworpen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De weigering van de WW-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en verzekeringsstatus.