ECLI:NL:CRVB:2006:AY5582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken procesbelang
Appellant had een WAO-uitkering toegekend gekregen met een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, waarna bezwaar leidde tot een herziening naar 80 tot 100%. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende medische motivering en beval een nieuw besluit. Het UWV nam daarop een nieuw besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde en de oorspronkelijke mate van arbeidsongeschiktheid handhaafde, maar betaalde uit zorgvuldigheidsgronden de hogere uitkering over een bepaalde periode.
In hoger beroep werd gevraagd om een oordeel over dit nieuwe besluit. De Raad stelde vast dat appellant feitelijk al een volledige uitkering ontving en dat een latere medische beoordeling per 23 juni 2004 leidde tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, waartegen bezwaar en beroep waren gevoerd en definitief waren afgedaan. De Raad concludeerde dat appellant geen procesbelang had bij voortzetting van het hoger beroep omdat toekomstige beoordelingen zich richten op de actuele medische situatie.
De Raad wees het argument van appellant af dat het belang zou liggen in de juiste vaststelling van beperkingen per 5 april 2000 in verband met een verkorte wachttijdregeling. De relevante datum voor die regeling is de laatste herzieningsdatum, niet de oorspronkelijke datum. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV in de proceskosten van de werkgever.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het WAO-uitkeringsbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.