ECLI:NL:CRVB:2006:AY5664

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-285 OSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 97l WerkloosheidswetArt. 97m Werkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling sectorindeling werkgever verricht huishoudelijke diensten voor hotels

Appellante, die huishoudelijke diensten verricht voor vier hotelbedrijven in onderaanneming, verzocht om herindeling van sector 18 Reiniging naar sector 33 Horeca algemeen. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen, maar bij besluit van 6 december 2005 werd appellante alsnog ingedeeld in sector 17 Detailhandel en Ambachten per 1 januari 2006.

Appellante betwistte deze indeling en stelde dat de herindeling met terugwerkende kracht per 2003 had moeten ingaan en dat sector 33 toepasselijk was. De Raad overwoog dat appellante niet tijdig een verzoek tot herindeling had ingediend en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een terugwerkende kracht rechtvaardigden.

De Raad bevestigde dat de werkzaamheden van appellante als dienstverlenend bedrijf moeten worden aangemerkt en niet als horecabedrijf. De beleidsregels omtrent datumbeleid indelingen werden toegepast, waarbij overgang per 1 januari of 1 juli plaatsvindt, tenzij bijzondere omstandigheden anders rechtvaardigen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en appellante werd niet in het gelijk gesteld. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de sectorindeling wordt ongegrond verklaard en de indeling in sector 17 Detailhandel en Ambachten blijft van kracht per 1 januari 2006.

Uitspraak

06/285 OSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 26 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 24 mei 2006, waar voor appellante zijn verschenen C.H. Bakker en S.P.F. Bakker, directeur respectievelijk administratief medewerker van appellante, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij de belastingdienst.
II. OVERWEGINGEN
Appellante houdt zich ten behoeve van vier hotelbedrijven in onderaanneming bezig met het verrichten van huishoudelijke diensten. Bij faxbericht van 15 juli 2005 heeft appellante verweerder verzocht om de indeling te wijzigen van sector 18. Reiniging in sector 33. Horeca algemeen. Dit verzoek is bij besluit van 28 september 2005 afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 6 december 2005 heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard en, onder herroeping in zoverre van het besluit van 28 september 2005, appellante alsnog per 1 januari 2006 ingedeeld in de sector 17. Detailhandel en Ambachten. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat een werkgever, waarvan de werkzaamheden kunnen worden omschreven als het verlenen van diensten in de huishoudelijke sfeer ten behoeve van horecabedrijven, niet als een onder sector 33. Horeca algemeen ressorterend horecabedrijf wordt aangemerkt, maar als een werkgever die in het maatschappelijk leven optreedt als een dienstverlenend bedrijf, welke van rechtswege is aangesloten bij sector 17. Detailhandel en Ambachten. Met inachtneming van beleidsregel b van het datumbeleid heeft verweerder de datum van herindeling vastgesteld op 1 januari 2006. Er zijn volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden om aan de wijziging van de indeling terugwerkende kracht te verlenen.
In beroep heeft appellante de juistheid van het besluit van 6 december 2005 bestreden. Zij heeft gesteld dat indeling bij sector 33. Horeca algemeen haar voorkeur heeft en dat de herindeling dient in te gaan in 2003.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge de artikelen 97l en 97m van de Werkloosheidswet is verweerder verantwoordelijk voor het indelen dan wel herindelen van werkgevers bij sectoren.
Mede gelet op de aan de gewijzigde indeling ten grondslag gelegde motivering heeft de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om de indeling van appellante in sector 17. Detailhandel en Ambachten voor onjuist te houden.
Met betrekking tot de datum van herindeling heeft verweerders rechtsvoorganger beleidsregels geformuleerd, die zijn neergelegd in het Besluit datumbeleid indelingen (Besluit van het Lisv van 14 maart 1998, Stcrt. 1998, 51).
Deze beleidsregel luiden, voorzover van belang, als volgt:
“a. Wanneer overgang van een werkgever naar een andere sector dan de sector waarbij die werkgever is aangesloten is aangewezen, vindt deze overgang zo spoedig mogelijk plaats per 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits vóór de betreffende datum een schriftelijke indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever is gezonden.
b. Wanneer een werkgever zelf verzoekt om de juistheid van de op dat moment voor hem geldende indeling te bezien dan wel gericht verzoekt om herindeling naar een andere sector gelden eveneens de data 1 januari of 1 juli volgend op de datum, waarop de werkgever zijn verzoek heeft gedaan.
(…)
d. Indelen van een werkgever met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór de onder a en b en de daaraan onder c gekoppelde data kan plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken werkgever. Ten voordele: dit kan zich voordoen, bijv. als in het verleden is nagelaten na een daartoe strekkend verzoek van een werkgever of na melding van een wijziging in de bedrijfsuitoefening een indelingsonderzoek in te stellen en achteraf komt vast te staan dat reeds toen herindeling aangewezen zou zijn geweest”.
Hoewel de Raad het niet uitgesloten acht dat appellante vóór 15 juli 2005 telefonisch contact heeft opgenomen met medewerkers van verweerder, waarbij gesproken is over haar indeling, is naar zijn oordeel niet komen vast te staan dat appellante reeds vóór 1 juli 2005 bij verweerder een verzoek heeft ingediend om herindeling. Dit brengt mee dat overgang naar een andere sector in beginsel per 1 januari 2006 dient plaats te vinden. De Raad is met verweerder van oordeel dat zich in het geval van appellante geen bijzondere omstandigheden voordoen welke indeling met ingang van een vóór 1 januari 2006 gelegen datum rechtvaardigen. Met name is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan met toepassing van het bepaalde onder d van voornoemde beleidsregels indeling met terugwerkende kracht mogelijk is.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep niet kan slagen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) C.M.T. Kruls.
GG260706