ECLI:NL:CRVB:2006:AY5673

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6534 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • H.C. Cusell
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aansprakelijkheid voor onbetaalde premies en boetes ondanks strafrechtelijke boete

Appellant werd door het UWV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gelaten premies van een besloten vennootschap. Na diverse procedures vernietigde de rechtbank Haarlem het bezwaar van appellant tegen deze aansprakelijkstelling, waarna hoger beroep volgde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad vernietigde deels eerdere uitspraken en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen over de boetes.

In het nieuwe besluit van 27 februari 2004 stelde het UWV het bedrag van de aansprakelijkstelling vast, waarbij de boetes met 10% werden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Appellant voerde in hoger beroep aan dat sprake was van dubbele bestraffing omdat hij ook strafrechtelijk was veroordeeld tot een boete.

De Raad oordeelde dat het UWV terecht geen rekening hoefde te houden met de strafrechtelijke boete bij de bestuursrechtelijke aansprakelijkstelling. De overschrijding van de redelijke termijn was reeds beoordeeld en de matiging van de boetes correct toegepast. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkstelling en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

04/6534 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2004 , kenmerk 04/538 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 20 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Heukels, voornoemd, en namens het Uwv is verschenen mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 22 juli 1998 is appellant ingevolge het bepaalde in artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) door het Uwv hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor door [de besloten vennootschap] onbetaald gelaten premies. Bij besluit van 19 maart 1999 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 12 juli 2000 het beroep tegen het besluit van 19 maart 1999 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 12 juli 2000 en bij uitspraak van 17 december 2003 heeft de Raad -voorzover van belang- de uitspraak van 12 juli 2000 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 maart 1999 vernietigd voorzover betrekking hebbende op de in de aansprakelijkstelling begrepen bedragen aan boetes. Voorts heeft de Raad bepaald dat het Uwv met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit neemt terzake van de in de aansprakelijkstelling begrepen boetes.
Bij besluit van 27 februari 2004 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 1998 gegrond verklaard en het bedrag van de aansprakelijkstelling vastgesteld op € 407.389,44.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 27 februari 2004 ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat er sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat er sprake is van een ontoelaatbare dubbele bestraffing.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft in de uitspraak van 17 december 2003 de aansprakelijkstelling van appellant onderschreven, behoudens voorzover deze betrekking heeft op de aansprakelijkstelling voor de aan [de besloten vennootschap] opgelegde boetes. De Raad overwoog dat deze in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro met 10% dienen te worden gematigd.
Gelet op de uitspraak van de Raad van 17 december 2003 staat in het onderhavige geding slechts ter beoordeling of het Uwv met het besluit van 27 februari 2004 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan meergenoemde uitspraak van de Raad. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, waartoe hij het volgende overweegt. Tussen partijen is niet in geschil dat de in de aansprakelijkstelling begrepen bedragen aan boetes als zodanig op correcte wijze met 10% zijn verlaagd.
De Raad stelt vast dat de reikwijdte van het door het Uwv te nemen nieuwe besluit op bezwaar gelet op voornoemde uitspraak van 17 december 2003 bij uitstek was beperkt tot de nadere vaststelling van het bedrag van de in de aansprakelijkstelling begrepen boetes.
Gelet hierop ziet de Raad in de aldus tevens afgepaalde omvang van dit geding geen grond voor het oordeel dat het Uwv in zijn besluitvorming óók het - de rechtmatigheid van de boetes als zodanig betreffende - feit had moeten betrekken dat appellant inmiddels bij onherroepelijk strafrechtelijke uitspraak was veroordeeld tot een overigens beperkte boete van € 500,--.
De door appellant aangevoerde grief inzake de dubbele bestraffing kan om dezelfde reden bij de rechterlijke toetsing van het besluit op bezwaar van 27 februari 2004 dan ook niet in dit geding bij de Raad aan de orde komen.
De door appellant aangevoerde schending van de redelijke termijn is door de Raad reeds in de uitspraak van 17 december 2003 beoordeeld. Gegeven de omstandigheid dat de in de aansprakelijkstelling begrepen bedragen aan boetes op juiste wijze door het Uwv zijn vastgesteld, kan deze grief niet slagen.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
GG120706