ECLI:NL:CRVB:2006:AY5860

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5586 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant had een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, die door het UWV per 19 september 2003 werd ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn.

De rechtbank Zwolle-Lelystad vernietigde het bestreden besluit van het UWV, maar handhaafde de rechtsgevolgen van de intrekking. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn geestelijke gesteldheid onvoldoende was meegewogen en dat de informatie van de zenuwarts onvoldoende was meegenomen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, mede doordat appellant door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts was onderzocht en er aanvullende informatie bij de huisarts was opgevraagd.

Er waren geen objectieve medische verklaringen die een ander oordeel konden ondersteunen. De Raad bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van appellant.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5586 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 augustus 2005, 04/654 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 21 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant was in persoon aanwezig en het Uwv was vertegenwoordigd door J. Liesting, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 21 juli 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO), welke was gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 19 september 2003 ingetrokken omdat hij vanaf die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 8 april 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de informatie van dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts, niet genoeg is meegewogen en dat zijn geestelijke gesteldheid hem geen gelegenheid geeft om te werken.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de grieven van appellant falen. De gedingstukken bieden geen grondslag voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De Raad wijst er in dit verband op dat appellant zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts is gezien. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie bij de huisarts opgevraagd en is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat de beperkingen op adequate wijze zijn vastgesteld.
Met betrekking tot de ten aanzien van appellant vastgestelde belastbaarheid schaart de Raad zich achter de overwegingen die de rechtbank dienaangaande heeft gegeven. De Raad voegt hieraan toe dat in hoger beroep geen objectief medische verklaringen zijn overgelegd die steun bieden aan een andersluidend oordeel.
Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.