ECLI:NL:CRVB:2006:AY5933

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2993 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.

De Raad overweegt dat de beschikbare medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend psycholoog en huisarts, voldoende zijn om een verantwoord oordeel te geven. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante niet overschat en de beperkingen zijn juist vastgesteld.

Daarnaast concludeert de Raad dat appellante in staat is om de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. Het opleidingsniveau is correct ingeschat op niveau 2, waarbij de eisen voor lezen en schrijven beperkt zijn. Het vastgestelde maatvrouwloon is eveneens juist bepaald.

Gelet op artikel 8:69 van Pro de Awb is er geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/2993 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 april 2004, 03/3683 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 8 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Namens appellante is -met voorafgaande berichtgeving- niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 11 april 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 juni 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
Bij besluit van 14 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 april 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellante met de kritische functionele mogelijkhedenlijst van 8 november 2002, opgemaakt door de verzekeringsarts
H.I. Jansen, en in bezwaar geaccordeerd door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, niet is overschat.
De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad neemt hierbij in overweging dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de appellantes behandelend psycholoog en huisarts en deze informatie in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Uit deze informatie valt ook naar het oordeel van de Raad geen verdergaande beperkingen af te leiden dan de verzekeringsarts bij haar onderzoek op 8 november 2002 heeft vastgesteld.
Uitgaande aldus van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid, is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. De Raad is voorts van oordeel dat de relevante markeringen in de geduide functies afdoende zijn toegelicht.
Ten aanzien van het opleidingsniveau van appellante overweegt de Raad dat, gelet op appellantes opleiding en werkervaring, het Uwv appellantes opleidingsniveau met niveau 2 niet onjuist heeft gewaardeerd. Daarenboven merkt de Raad op dat bij de geselecteerde functies aan de aspecten lezen en schrijven slechts zeer beperkte eisen worden gesteld. Met betrekking tot het door het Uwv vastgestelde maatvrouwloon van appellante onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank heeft overwogen ter zake van de juistheid van de bepaling van dit loon bij een eerdere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in 1995 in verband met uitval in 1994.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.H.A. Jenniskens.