ECLI:NL:CRVB:2006:AY5941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid per 7 december 2000
Appellante betwistte de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid op 15 tot 25% per 7 december 2000 en voerde aan dat medische verklaringen, waaronder van een internist en psychiater, onvoldoende zijn meegewogen. Zij stelde dat schildklierdysfunctie al in december 2000 aanwezig was en haar psychische klachten daardoor verklaard konden worden.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende functies binnen appellantes belastbaarheid had voorgehouden en dat de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts een juiste inschatting van de beperkingen gaven. De bezwaarverzekeringsarts erkende wel dat er na december 2000 mogelijk meer klachten ontstonden, maar hield vast aan de juiste inschatting per datum in geding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard omdat het onderzoek naar de beperkingen zorgvuldig was uitgevoerd en de medische informatie geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling. Latere verslechteringen in gezondheidstoestand konden niet worden meegenomen in deze beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid op 15 tot 25% per 7 december 2000 rechtsgeldig werd vastgesteld.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 7 december 2000 is terecht vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.