ECLI:NL:CRVB:2006:AY5947

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7256 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 3, tweede lid, Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding extra vervoerskosten voor bezoek verpleeghuis echtgenote wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, die psychische klachten heeft als gevolg van ervaringen tijdens de Duitse bezetting, verzocht verweerster om een vergoeding voor extra vervoerskosten die hij maakt bij het bezoeken van zijn in een verpleeghuis opgenomen echtgenote. Deze vergoeding werd afgewezen omdat appellant geen beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer, wat een vereiste is voor toekenning van een vergoeding op grond van artikel 20 van Pro de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Appellant voerde aan dat het openbaar vervoer onbruikbaar is vanwege de ligging van het verpleeghuis op een heuvel, ver van de dichtstbijzijnde bushalte en bereikbaar via een moeilijk begaanbare route. De Raad oordeelde echter dat deze praktische bereikbaarheidproblemen niet in aanmerking mogen worden genomen binnen de toepassing van de Wet, omdat er geen verband is met de psychische klachten.

Hoewel de Raad begrip toonde voor de moeilijke situatie van appellant en het belang van de bezoeken, concludeerde zij dat de afwijzing terecht is omdat de medische noodzaak voor extra vervoerskosten ontbreekt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor extra vervoerskosten bevestigd.

Uitspraak

05/7256 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 3 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 30 november 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Aldaar is appellant, zoals tevoren was aangekondigd, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, uit Joodse ouders geboren [in] 1926, is bij besluit d.d. 30 maart 1990 van verweersters rechtsvoorganger, de Uitkeringsraad, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijk gesteld met de vervolgde in de zin van de Wet. Daarbij is aanvaard dat bij appellant sprake is van psychische klachten die redelijkerwijs het gevolg zijn van zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Aan appellant zijn een periodieke uitkering toegekend en diverse voorzieningen in verband met deze psychische klachten, waaronder een tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer. Met ingang van
1 januari 2002 is aan appellant een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer, zulks onder intrekking per gelijke datum van de eerder aan hem verstrekte tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer.
In juni 2005 heeft appellant verweerster verzocht hem in aanmerking te brengen voor een voorziening in de extra vervoerskosten, die hij heeft in verband met de dagelijkse bezoeken die hij brengt aan zijn in het verpleeghuis opgenomen echtgenote. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 1 september 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat er voor deze voorziening geen in de causale psychische klachten van appellant gelegen medische noodzaak aanwezig is, aangezien hij geen beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer.
De Raad overweegt als volgt.
Naar uit het vorenstaande blijkt is aan appellant door verweerster een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. In deze combinatie-voorziening die op grond van artikel 21 van Pro de Wet wordt toegekend, acht verweerster onder meer een tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer begrepen. Naast een toegekende tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer acht verweerster een afzonderlijke voorziening in de kosten van sociaal vervoer uitsluitend nog mogelijk op grond van artikel 20 van Pro de Wet. De Raad heeft reeds eerder deze benadering van verweerster als niet onredelijk beoordeeld.
Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de vraag of appellant voldoet aan de door verweerster gehanteerde criteria voor toekenning van een vergoeding op grond van artikel 20 van Pro de Wet van de kosten van sociaal vervoer. Deze toekenningscriteria, die door de Raad steeds aanvaardbaar heeft geacht, houden - kort weergegeven - in dat slechts in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van sociaal vervoer diegene die ten gevolge van zijn causale klachten zodanige beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer dat hij is aangewezen op vervoer per eigen auto of taxi. Verweerster heeft in navolging van haar geneeskundig adviseurs geoordeeld dat deze situatie zich in het geval van appellant niet voordoet en ook de Raad heeft in de gedingstukken van medische aard voor dit standpunt voldoende onderbouwing kunnen vinden.
Appellant heeft niet bestreden dat het voor hem mogelijk is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Hij heeft aangevoerd dat bij zijn dagelijkse bezoeken aan zijn echtgenote het gebruik van het openbaar vervoer voor hem niet bruikbaar is, aangezien het verpleeghuis waar zijn echtgenote verblijft zich bevindt op een heuvel, ver weg van de dichtst bijzijnde bushalte en slechts langs een moeilijk te belopen route bereikbaar. In deze omstandigheden heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht geen grond gezien om appellant in aanmerking te brengen voor een vergoeding op grond van artikel 20 van Pro de Wet van de extra kosten van sociaal vervoer, nu een verband met de uit de oorlogsomstandig- heden voortvloeiende psychische klachten van appellant ten enenmale ontbreekt. Naar het oordeel van de Raad betreft het hier praktische problemen van bereikbaarheid, die samenhangen met de ligging van het verpleeghuis. Dergelijke omstandigheden dienen in het kader van de toepassing van de Wet buiten aanmerking te worden gelaten. Het voorgaande laat onverlet dat de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellant zich bevindt als gevolg van de slechte lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn echtgenote verkeert en gaarne wil aannemen dat de dagelijkse bezoeken aan zijn echtgenote voor appellant in verband met zijn psychische gesteldheid noodzakelijk zijn. Dit begrip kan de Raad evenwel niet leiden tot gegrond verklaring van het beroep.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.