ECLI:NL:CRVB:2006:AY5957
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken vrijheidsberoving
Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in maart 2004 om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij met zijn familie gevangen heeft gezeten in kampen tijdens de Japanse bezetting, waarbij zijn moeder werd gemarteld en zijn opa overleed.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De Raad baseerde zich op het ontbreken van objectieve gegevens die de internering bevestigen, ondanks onderzoek bij het Nederlandse Rode Kruis en andere archieven. Het genoemde kamp op Ambon is onbekend en op Ceram waren geen burgerinterneringskampen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het relaas van appellant niet voldoende wordt ondersteund door objectieve gegevens en dat de Wet geen ruimte biedt voor erkenning zonder dergelijke bewijsstukken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de periodieke uitkering blijft in stand.