ECLI:NL:CRVB:2006:AY5963
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat haar vader kort na de Japanse inval met geweld werd weggevoerd om aan de Birma-spoorlijn te werken, terwijl zijzelf met haar moeder en broertje enige tijd onderdook.
De Raad overwoog dat onder vervolging in de Wet wordt verstaan vrijheidsberoving door opsluiting met het oog op beëindiging van het leven of permanente bewaking. Appellante heeft echter geen vrijheidsberoving ondergaan en er was geen sprake van een objectief gevaar op internering. Haar verblijf in de desa’s was uit angst, maar zij keerde terug naar haar huis en werd niet verder lastiggevallen.
Ook de weigering van verweerster om appellante met de vervolgde gelijk te stellen, omdat de omstandigheden niet overeenkwamen met vervolging, werd door de Raad bevestigd. De verklaring van getuigen over de slechte omstandigheden na het wegvoeren van haar vader bracht hierin geen verandering.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de uitkering wordt bevestigd.