ECLI:NL:CRVB:2006:AY6056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellant, een distributiemedewerker, werd na ziekmelding wegens nek- en schouderklachten door een bedrijfsongeval geweigerd voor een WAO-uitkering door het UWV. Na bezwaar en herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank onderschreef dit en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de medische grondslag van het besluit juist is vastgesteld en aansluit bij het neuropsychologisch onderzoek. Echter, de Raad stelt dat de arbeidskundige motivering onvoldoende is, met name vanwege het ontbreken van een gedetailleerde toelichting op niet-matchende beoordelingspunten in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De Raad vernietigt het bestreden besluit op grond van strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.