ECLI:NL:CRVB:2006:AY6130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering zonder dringende redenen
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een terugvorderingsbesluit van het UWV waarbij een bedrag van €8.682,91 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering werd teruggevorderd over de periode 20 januari 2003 tot en met 31 juli 2004.
De Raad stelt vast dat appellant niet betwist dat het bedrag onverschuldigd is betaald en dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet ter discussie staat. De onverschuldigde betaling is het gevolg van een administratieve fout van het UWV bij de invoering van het dagloon waarop de WAO-uitkering is gebaseerd.
De Raad overweegt dat het UWV op grond van artikel 57, eerste lid, WAO verplicht is het bedrag terug te vorderen, ook als de fout bij het UWV ligt. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zoals bedoeld in artikel 57, vierde lid, kunnen alleen worden aangenomen bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de verzekerde. Fouten van het bestuursorgaan zelf vormen geen dringende reden.
De door appellant aangevoerde omstandigheden zijn volgens de Raad en de rechtbank niet voldoende om dringende redenen aan te nemen. Het verzoek tot schadevergoeding en proceskosten wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.