ECLI:NL:CRVB:2006:AY6221

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2747 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34a WAOArt. 71a WAOArt. 6 Regeling procesgang eerste ziektejaarArt. 4:5 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet in behandeling nemen WAO-aanvraag wegens ontbreken reïntegratieverslag

Appellant, werkzaam als aankomend elektromonteur, diende een WAO-uitkeringsaanvraag in zonder het vereiste reïntegratieverslag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde appellant in de gelegenheid de aanvraag te completeren, maar appellant reageerde niet binnen de gestelde termijn. Het Uwv nam daarop de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kon beschikken en dat het Uwv terecht gebruik had gemaakt van haar bevoegdheid. Appellant stelde in hoger beroep dat hij vanwege ziekte niet in staat was de formulieren in te vullen, maar dit werd niet onderbouwd met medische gegevens.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht niet in behandeling is genomen. De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beoordeling en acht geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-aanvraag terecht niet in behandeling is genomen wegens het ontbreken van het reïntegratieverslag.

Uitspraak

05/2747 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 maart 2005, 04/1372 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als aankomend elektromonteur. Op 18 februari 2003 is hij uitgevallen met clusterhoofdpijn. Op
7 november 2003 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) ingediend zonder een reïntegratieverslag plus bijlagen. Bij brief van 27 november 2003 is appellant tot
12 december 2003 in de gelegenheid gesteld de aanvraag te completeren. Daarbij is concreet aangegeven welke stukken het Uwv nodig had om de aanvraag te kunnen beoordelen. Toen daarop geen reactie kwam heeft het Uwv bij besluit van
7 januari 2004 de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen. De bezwaren van appellant zijn bij het besluit op bezwaar van 3 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 34a, eerste lid, van de WAO volgt dat de aanvraag voor toekenning van de uitkering vergezeld gaat van een reïntegratieverslag en dat de wettelijke verplichtingen van de werkgever en de werknemer ten aanzien van dit verslag zijn opgenomen in artikel 71a van de WAO en nader zijn uitgewerkt in artikel 6 van Pro de Regeling procesgang eerste ziektejaar (Stcrt. 2002, 60). De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5 van Pro de Awb heeft gehandeld en dat appellant de hem gestelde termijn voor herstel van zijn verzuim ongebruikt heeft laten verstrijken. Ten aanzien van de vragen of appellant redelijkerwijs de beschikking kon krijgen over de van hem gevraagde stukken en het Uwv in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid de aanvraag niet in behandeling te nemen, heeft de rechtbank in het navolgende gedeelte van de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, als volgt geoordeeld:
"Gesteld noch gebleken is dat de werkgever van eiser dan wel de arbodienst niet zouden meewerken aan de opstelling van een reïntegratieverslag. Eiser heeft zich, zo blijkt uit een telefoonnotitie van 6 januari 2004 alsook uit het bezwaarschrift en het beroepsschrift, op het standpunt gesteld dat hij vanwege zijn ziekte niet in staat zou zijn de formulieren in te vullen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding aan te nemen dat eiser niet over de benodigde stukken had kunnen beschikken. Eiser heeft zijn stelling geenszins nader onderbouwd. Bovendien staat zij haaks op het feit dat eiser zelf de WAO-aanvraag heeft ingevuld, zelf bezwaar heeft gemaakt en ook in staat is gebleken stukken in bezwaar over te leggen. Het is voorts de verantwoordelijkheid van eiser zelf om de benodigde stukken in te dienen, waarbij hij -indien nodig- de hulp van derden zou kunnen inroepen.
Ten aanzien van de in bezwaar overgelegde stukken overweegt de rechtbank voorts dat, daargelaten de vraag of eiser tijdens de bezwaarprocedure de aanvraag nog zou kunnen aanvullen, de overgelegde gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling. Nog steeds wordt niet voldaan aan de minimale vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag nu geen van de drie minimaal vereiste documenten in het geding zijn gebracht.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid de aanvraag niet in behandeling te nemen."
Hetgeen tegen het oordeel van de rechtbank in hoger beroep namens appellant is aangevoerd, is in essentie een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, is (wederom) niet onderbouwd met nadere (medische) gegevens en biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.