ECLI:NL:CRVB:2006:AY6224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulfraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na mislukte werkhervatting als vuilnisophaler
Appellant begon na een periode van werkloosheid op 4 november 2002 als vuilnisophaler, maar staakte dit werk na een half uur en meldde zich ziek. Verzekeringsartsen stelden vast dat appellant dit fysieke werk niet aankon vanwege een milde aorta insufficiëntie, maar wel geschikt was voor licht werk als inpakker. Het UWV weigerde daarom verdere ziekengelduitkering vanaf 28 februari 2003.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond, waarbij het medisch oordeel en de functie van inpakker als maatstaf werden gehanteerd. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Raad overwoog dat het werk als vuilnisophaler slechts een mislukte poging tot werkhervatting was en niet als eigen werk kon worden beschouwd. Het werk als inpakker, dat energetisch licht was en staand werd uitgevoerd, werd als laatst verrichte arbeid aangemerkt. Gezien de medische gegevens was appellant geschikt voor dit werk, zodat de weigering van ziekengeld terecht was.
De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant het werk als vuilnisophaler niet aankon en het werk als inpakker als eigen werk wordt aangemerkt.