ECLI:NL:CRVB:2006:AY6229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor geselecteerde functies
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, viel op 11 september 2001 uit met rugklachten. Na onderzoek stelde een verzekeringsarts beperkingen vast die leidden tot een berekening van minder dan 15% verlies aan verdiencapaciteit, waarna het UWV de WAO-uitkering weigerde. Appellant meldde zich op 13 januari 2003 ziek met toegenomen klachten. Een verzekeringsarts oordeelde op 22 april 2003 dat de beperkingen niet waren toegenomen en verklaarde appellant geschikt voor de geselecteerde functies.
Het UWV weigerde op die datum verdere ziekengelduitkering. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen de beslissing. De Raad overwoog dat de medische informatie, waaronder onderzoeken van neurologen en MRI-scans, geen aanleiding gaf het oordeel van de verzekeringsarts te herzien. Hoewel later een forse hernia werd vastgesteld en geopereerd, waren er op 22 april 2003 geen symptomen die beperkingen veroorzaakten.
De Raad bevestigde dat de belastbaarheid voor arbeid wordt bepaald door objectief vastgestelde beperkingen en niet door de diagnose. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht werd bevestigd, en het hoger beroep werd verworpen. De Raad vond geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 augustus 2006.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Ziektewetuitkering per 22 april 2003 wordt bevestigd.