ECLI:NL:CRVB:2006:AY6366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering na eerdere weigering en beoordeling passende functies
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin werd geoordeeld dat hij geen recht had op een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende was, met name met betrekking tot zijn oog- en maagklachten, en dat hij recht had op een uitkering van 80 tot 100%.
Het UWV heeft vervolgens een nieuw besluit genomen waarbij appellant een WAO-uitkering van 15 tot 25% werd toegekend. De Raad heeft vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij oog- en maagklachten zijn betrokken en dat appellant geen aanvullende medische gegevens heeft overgelegd die het oordeel van de verzekeringsarts ondermijnen.
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant zijn vroegere werk niet meer kan verrichten, maar wel een aantal andere functies passend zijn, rekening houdend met zijn belastbaarheid. De Raad acht de arbeidskundige beoordeling juist en verklaart het hoger beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard met toekenning van een WAO-uitkering van 15 tot 25%.