ECLI:NL:CRVB:2006:AY6538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling te late aanvraag WW-uitkering en bijzonder geval volgens artikel 23 WW
Betrokkene diende op 3 juni 2004 een WW-uitkeringsaanvraag in, terwijl de aanvraag volgens artikel 23 van Pro de WW binnen 26 weken na werkloosheid had moeten plaatsvinden. De appellant, het UWV, wees de aanvraag af wegens te late indiening. De rechtbank Arnhem oordeelde dat sprake was van een bijzonder geval omdat betrokkene tijdig contact had gehad met het UWV en het CWI, waardoor zij niet tijdig kon aanvragen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval nader onderzoek naar de aanvraag.
In hoger beroep betwistte het UWV dat sprake was van een bijzonder geval, stellende dat betrokkene afspraken had afgezegd en niet tijdig had aangevraagd. Betrokkene stelde dat zij meerdere malen contact had gehad met het UWV en CWI en niet was gewaarschuwd voor de termijnoverschrijding. De Raad constateerde dat onvoldoende is komen vast te staan welke mededelingen tijdens deze contacten zijn gedaan en dat er geen gerechtvaardigde verwachting was dat de aanvraag later zonder bezwaar zou worden behandeld.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijke was voorbereid omdat geen onderzoek was gedaan naar het recht op uitkering zelf. Omdat het UWV tijdens het hoger beroep alsnog een voornemen tot toekenning van een uitkering had kenbaar gemaakt, bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank met verbeterde gronden en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen bijzonder geval is en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.