ECLI:NL:CRVB:2006:AY6647
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vervolging en nationaliteitsvereisten
Appellante, geboren in juni 1930 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in maart 2005 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat haar vader tijdens de Japanse bezetting omkwam en dat zij zelf met haar familie in kampen verbleef. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en omdat zij niet voldeed aan de nationaliteits- en territorialiteitsvereisten.
De Raad overwoog dat onder vervolging moet worden verstaan vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht op grond van specifieke gronden, met inbegrip van opsluiting in concentratiekampen of gevangenissen. De door appellante genoemde kampen waren niet bekend als interneringskampen en volgens haar eigen verklaring was er vrije in- en uitgang, waardoor geen sprake was van vrijheidsberoving.
Daarnaast kon appellante niet worden gelijkgesteld met vervolging onder artikel 3, tweede lid, van de Wet omdat zij niet voldeed aan de vereisten van artikel 2 en Pro artikel 3, eerste lid. De Raad oordeelde dat de weigering van verweerster om appellante gelijk te stellen op goede gronden berustte. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.