ECLI:NL:CRVB:2006:AY6649
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting Nederlands-Indië
Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2005 een WUV-uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader was omgekomen als krijgsgevangene en dat hijzelf met zijn familie in kampen had verbleven tijdens de Japanse bezetting.
De verweerster wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De genoemde kampen waren niet bekend als interneringskampen en appellant gaf zelf aan dat men vrij in en uit kon lopen, waardoor geen sprake was van vrijheidsberoving zoals vereist.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de criteria van vervolging zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet, noch aan de nationaliteits- en territorialiteitsvereisten van artikel 3. Ook de mogelijkheid tot gelijkstelling op grond van artikel 3, tweede lid, werd afgewezen omdat niet aan de voorwaarden was voldaan.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.