Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AY6683

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/2175 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering na wachttijd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen na afloop van de wachttijd van 52 weken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Het UWV heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de rechtbank heeft deze beslissing bevestigd.

De Centrale Raad van Beroep heeft het beroep behandeld en overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig en zonder tekortkomingen is uitgevoerd. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en informatie ingewonnen bij diverse medisch specialisten, waaronder een orthopedisch chirurg en de huisarts. Uit deze onderzoeken blijkt geen objectiveerbare beperking die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt.

De functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld op basis van deze informatie en geeft een licht verminderde belastbaarheid aan, met name voor duwen, trekken, zware lasten hanteren en klimmen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant eveneens onderzocht en de medische stukken bestudeerd, en heeft geen aanleiding gezien om de FML aan te passen.

Gezien het ontbreken van arbeidskundige bezwaren en het ontbreken van medische tekortkomingen, concludeert de Raad dat de schatting van de arbeidsongeschiktheid op goede gronden berust. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en weigering WAO-uitkering bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/2175 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 maart 2004, 03/420 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli 2006. Appellant is niet verschenen, het Uwv was vertegenwoordigd door mr. I.M. de Groot.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 5 december 2002 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) geweigerd onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid in aansluiting op de wachttijd van 52 weken per 10 december 2002, minder dan 15% bedroeg.
Bij besluit van 17 juni 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2002 ongegrond verklaard.
Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe dat het Uwv het onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig heeft verricht. De verzekeringsarts M. Strik heeft appellant zelf onderzocht en informatie opgevraagd bij de appellant behandelend orthopedisch chirurg prof. dr. P.M. Rozing en de huisarts. Rozing heeft geen afwijkingen bij appellant kunnen vaststellen. Mede aan de hand van die informatie heeft Strik een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin de belastbaarheid van appellant is weergegeven. Hoewel er geen objectiveerbare beperkingen zijn, heeft Strik appellant enigermate verminderd belastbaar geacht voor met name duwen of trekken, zware lasten hanteren en klimmen.
De bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz heeft appellant op de hoorzitting gezien alsook gesproken en hem aansluitend ook zelf onderzocht, waarmee de bezwaren van appellant tegen Strik zijn ondervangen. Tevens heeft zij de (medische) stukken in het dossier bestudeerd. Zij heeft, nu uit de rapportages van de behandelend sector (waarvan onder andere internist dr. D. ter Winkel, de orthopedisch chirurgen M.P. Teeuwen, R.L. te Slaa en Rozing, reumatoloog
P.B.J. de Sonnaville, psycholoog G. Bogaard en de huisarts) niet blijkt van objectiveerbare beperkingen, geen aanleiding gezien de FML aan te passen.
Nu het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant geen tekortkomingen heeft en ook anderszins geen twijfel bestaat aan de juistheid van de vaststelling van de beperkingen, ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellant een medisch deskundige te benoemen in te willigen.
Er zijn geen arbeidskundige grieven ingediend en de Raad heeft in de arbeidskundige kant van de zaak geen gebreken geconstateerd, zodat de schatting op goede gronden berust en het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft en daaruit komt voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C. W. Ris-van Huussen.