ECLI:NL:CRVB:2006:AY6886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkering na geschil over geschiktheid geselecteerde functies
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster bij het Ministerie van Defensie, viel uit wegens hereditaire motorische en sensorische neuropathie (HMSN) en psychische problematiek. Na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig advies werd haar een WAO-uitkering toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Het Uwv wijzigde later de schatting van de arbeidsongeschiktheid op basis van het Functie Informatie Systeem (FIS) en verhoogde deze naar 55-65%. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat deels ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 8 mei 2003 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2003 ongegrond.
In hoger beroep beperkt de Centrale Raad van Beroep zich tot de beoordeling van de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2003. De Raad onderschrijft de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit, ondanks enige twijfel over de motivering van de geschiktheid van bepaalde geselecteerde functies. De overige functies bieden voldoende grondslag voor de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak en handhaaft de WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55-65%.