ECLI:NL:CRVB:2006:AY6886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2688 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkering na geschil over geschiktheid geselecteerde functies

Appellante, werkzaam als administratief medewerkster bij het Ministerie van Defensie, viel uit wegens hereditaire motorische en sensorische neuropathie (HMSN) en psychische problematiek. Na medisch onderzoek en arbeidsdeskundig advies werd haar een WAO-uitkering toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

Het Uwv wijzigde later de schatting van de arbeidsongeschiktheid op basis van het Functie Informatie Systeem (FIS) en verhoogde deze naar 55-65%. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat deels ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 8 mei 2003 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2003 ongegrond.

In hoger beroep beperkt de Centrale Raad van Beroep zich tot de beoordeling van de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2003. De Raad onderschrijft de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit, ondanks enige twijfel over de motivering van de geschiktheid van bepaalde geselecteerde functies. De overige functies bieden voldoende grondslag voor de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak en handhaaft de WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

Uitspraak

04/2688 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 april 2004, 03/2503 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cantarella, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster bij het Ministerie van Defensie gedurende 24 uur per week, is op
11 september 2000 uitgevallen met klachten als gevolg van hereditaire motorische en sensorische neuropathie (HMSN) en daarmee gepaard gaande psychische problematiek. In het kader van een medisch onderzoek zijn beperkingen vastgesteld, die zijn neergelegd in een (kritische) functionele mogelijkhedenlijst van 15 juli 2002. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige H. Nutters op basis van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem een vijftal functies geselecteerd. Het verlies aan verdiencapaciteit werd op basis daarvan berekend op 45-55%. In aansluiting hierop heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2002 aan appellante ingaande 10 september 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het bezwaar daartegen is bij het besluit op bezwaar van 8 mei 2003 ongegrond verklaard.
Lopende het beroep tegen het besluit van 8 mei 2003 heeft het Uwv, gelet op de datum einde wachttijd, besloten de schatting alsnog op het Functie Informatie Systeem (FIS) te baseren. Uitgaande van een door de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns op 4 juli 2003 vastgesteld scoreformulier FIS heeft de bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer een zestal functies geselecteerd. Het verlies aan verdiencapaciteit werd op basis van de drie hoogst verlonende functies vastgesteld op ruim 59%. Bij besluit op bezwaar van 13 augustus 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van
8 augustus 2002 alsnog gegrond verklaard en haar ingaande 10 september 2001 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, thans berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.
De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 6:19, eerst lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 13 augustus 2003. Bij de aangevallen uitspraak is door de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 13 augustus 2003 onderschreven.
De Raad gaat ervan uit dat in hoger beroep slechts de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2003 in geding is en zal zich hiertoe beperken.
Voor wat betreft de medische grondslag van het besluit van 13 augustus 2003 neemt de Raad de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak over en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan toe dat een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande 24 september 2003, mede in aanmerking genomen het progressieve karakter van het ziektebeeld HMSN, geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten tijde in geding.
Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het besluit van 13 augustus 2003 overweegt de Raad, dat wel twijfel kan bestaan ten aanzien (van de juistheid van de motivering) van de geschiktheid van de geselecteerde functies van administratief medewerkster en bestelautochauffeur in verband met de zogenoemde signaleringen, maar dat dit niet tot een ander oordeel leidt nu de resterende functies een voldoende grondslag vormen voor de schatting en de mate van arbeidsongeschiktheid daardoor niet wijzigt.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.