ECLI:NL:CRVB:2006:AY6960

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1759 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling medisch onderzoek

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV tot herziening van zijn WAO-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verhoogd van 25-35% naar 35-45% per 10 april 2002. Hij stelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig en ondeugdelijk was, mede vanwege ernstige lichamelijke en psychische beperkingen die onvoldoende waren meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hadden appellant onderzocht en een belastbaarheidspatroon opgesteld dat de beperkingen adequaat weerspiegelde. De door appellant overgelegde rapportages van revalidatie-arts, psychiater en psycholoog boden geen grondslag om het oordeel van het UWV te verwerpen.

De Raad concludeerde dat het UWV de belastbaarheid van appellant niet onjuist had beoordeeld en dat het bestreden besluit in stand kon blijven. De rechtbank Maastricht had het beroep tegen dit besluit reeds ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

04/1759 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 februari 2004, 2003/255 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.C. Breuls, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij faxbericht van 4 april 2006 heeft de gemachtigde van appellant een nader stuk ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli 2006. Voor appellant is niemand verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.M.C. Höppener.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 februari 2002 heeft het Uwv een tweetal besluiten genomen. Bij besluit I heeft het Uwv bepaald dat appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% onveranderd blijft. Bij besluit II heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering per 10 april 2002 wordt herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
Bij besluit van 13 januari 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv besluit I ingetrokken en besluit II gehandhaafd.
De rechtbank Maastricht heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij ernstige lichamelijke en psychische beperkingen heeft waarmee door de verzekeringsarts onvoldoende rekening is gehouden. Hij verwijst naar de in beroep overgelegde rapportages van revalidatie-arts R.S. Muhlig d.d. 21 januari 2004, psychiater drs. J.P.J. Leunissen d.d.
21 januari 2004 en klinisch psycholoog J. van den Heuvel d.d. 20 november 2003.
De Raad is van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of anderszins ondeugdelijk is geweest. Evenmin heeft de Raad uit de voorhanden zijnde gedingstukken kunnen afleiden dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft beoordeeld. De Raad overweegt hiertoe dat appellant is gezien door de verzekeringsarts. Deze heeft appellant onderzocht en dossierstudie verricht. Vervolgens heeft hij een belastbaarheidspatroon opgesteld waarin de beperkingen van appellant zijn weergegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant ook zelf onderzocht en zich geheel met de conclusies van de primaire verzekeringsarts kunnen verenigen.
Met de evenvermelde, van de zijde van appellant in beroep overgelegde rapportages - voor zover betrekking hebbend op de datum in geding - is naar het oordeel van de Raad niet aangetoond dat appellant op de hier in geding zijnde datum van 10 april 2002 meer of anders beperkt was dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. De Raad tekent hierbij nog aan dat de bezwaarverzekeringsarts mr. drs. J.H.M. de Brouwer op
20 augustus 2002 het belastbaarheidspatroon heeft aangescherpt, met name wat betreft de aspecten tillen, dragen, werken onder tijdsdruk en verantwoordelijkheid / afbreukrisico, zulks op grond van nader vanuit de zogenoemde behandelende sector verkregen gegevens.
Er zijn geen arbeidskundige grieven ingediend en de Raad heeft in de arbeidskundige kant van de zaak geen gebreken geconstateerd, zodat de schatting op goede gronden berust en het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft en daaruit komt voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
MK