ECLI:NL:CRVB:2006:AY7618
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV en beveelt nieuwe beslissing over WAO-uitkering
Appellante diende in 2004 een aanvraag in voor een WAO-uitkering met betrekking tot arbeidsongeschiktheid die zij sinds 1996 zou hebben. Het UWV wees de aanvraag af omdat deze te laat was ingediend en stelde subsidiair dat zij per 1996 geschikt zou zijn bevonden voor passend werk. Appellante stelde dat sprake was van kennelijke hardheid op grond van artikel 34 van Pro de WAO, omdat zij destijds niet wist dat zij narcolepsie had en daarom geen aanvraag deed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante bewust had afgezien van een aanvraag in 1996 en dat de latere diagnose geen wilsonbekwaamheid aantoonde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV ten onrechte had afgezien van een inhoudelijke beslissing op de aanvraag, omdat de WAO geen grond kent om een aanvraag alleen wegens te late indiening niet te behandelen.
De Raad bepaalde dat het UWV alsnog een inhoudelijke beoordeling moet uitvoeren, waarbij rekening kan worden gehouden met de medische situatie uit 1996 en de latere diagnose van narcolepsie. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De Raad sprak zich niet uit over de vraag of sprake is van kennelijke hardheid, omdat het UWV eerst een inhoudelijke beslissing moet nemen.
Uitkomst: Het UWV moet de WAO-uitkeringsaanvraag van appellante alsnog inhoudelijk beoordelen en een nieuw besluit nemen.