ECLI:NL:CRVB:2006:AY7710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over privaatrechtelijke dienstbetrekking en proceskostenveroordeling in hoger beroep UWV
Het hoger beroep betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) en belanghebbende over de verzekeringsplicht van betrokkenen die werkzaamheden verrichtten bij opdrachtgevers van belanghebbende. Appellant stelde dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en legde correctienota’s en boetenota’s op wegens het niet afdragen van premies.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en oordeelde dat het onderzoek van appellant onzorgvuldig was, omdat alleen de werkzaamheden van één betrokkene waren onderzocht. Tevens stelde de rechtbank vast dat onvoldoende was komen vast te staan dat sprake was van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en betrokkenen.
De Raad overweegt dat op grond van artikel 7:690 BW Pro de vraag of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking binnen een driepartijenrelatie moet worden beoordeeld, waarbij de gezagsverhouding tussen betrokkenen en inleners van belang is. De Raad kan op basis van de stukken echter niet vaststellen of betrokkenen onder toezicht en leiding van de inleners hebben gewerkt. Hierdoor is het besluit van 23 maart 2004, voor zover het correctienota’s over 1998 in stand laat, terecht vernietigd.
Verder oordeelt de Raad dat appellant de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, waardoor de proceskostenveroordeling door de rechtbank terecht is. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten.