ECLI:NL:CRVB:2006:AY7713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over correctienota’s premieloon en redelijke termijn in sociale verzekeringszaak
De zaak betreft hoger beroep van belanghebbende en het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over correctienota’s premieloon over de jaren 1996 tot en met 1998. Het UWV had correctienota’s opgelegd wegens onjuiste loonopgave, die door de rechtbank deels werden bevestigd en deels vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de premieloonberekening.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen belanghebbende en betrokkene 3, en dat het UWV terecht premieplicht heeft aangenomen. De schatting van het premieloon van betrokkene 3 op basis van de CAO is redelijk, maar de schatting voor betrokkene 1 en 2 is onvoldoende gemotiveerd.
De Raad constateert een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vanwege de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en moet bij invordering rekening houden met het achterwege laten van rente over de periode van onrechtmatige vertraging. Het hoger beroep van het UWV slaagt deels, waardoor de uitspraak over de correctienota 1998 wordt vernietigd, de rest wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het deel van de uitspraak over de correctienota 1998 en bevestigt de rest, met veroordeling van het UWV in proceskosten.