ECLI:NL:CRVB:2006:AY8022

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4016 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin de intrekking van zijn WAO-uitkering werd bevestigd. Het Uwv had de uitkering ingetrokken per 9 juli 2001 op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Medisch onderzoek door een psychiater, internist en verzekeringsarts leidde tot een belastbaarheidspatroon en selectie van passende functies. De Raad oordeelde dat het Uwv de medische beperkingen van appellant niet had onderschat en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De internist achtte appellant geschikt voor een volledige dagtaak zonder beperkingen, terwijl de psychiater geen uitspraak deed over arbeidsmogelijkheden.

De geselecteerde functies waren representatief en geschikt voor appellant. De Raad zag geen aanleiding om het besluit van het Uwv te vernietigen en bevestigde de eerdere uitspraak. Een verzoek om aanhouding van de zaak werd afgewezen vanwege tijdige kennisname en voorbereiding. Er werd geen kostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

04/4016 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, 02/5194 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2006. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 25 juli 2006, bij de Raad binnengekomen op 27 juli 2006, heeft mr. E. van Voolen, advocaat te Utrecht, gemeld door de broer van appellant verzocht te zijn als gemachtigde op te treden. Daarbij heeft mr. van Voolen verzocht om aanhouding teneinde zich op de zaak te kunnen voorbereiden. De Raad heeft geen aanleiding gezien dit verzoek te honoreren nu dit verzoek een dag voor zitting is ingediend en appellant ruim de tijd heeft gehad zich veel eerder van rechtskundige bijstand te voorzien.
Bij besluit van 4 januari 2001 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat zijn uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 9 juli 2001 werd ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2002 in stand gelaten.
Teneinde de medische beperkingen van appellant vast te kunnen stellen is appellant onderzocht door H.W.J. Lubberding, psychiater te Amsterdam en K.H. Teng, internist te Amsterdam. De verzekeringsarts J. Biersteker heeft, mede naar aanleiding van de bevindingen van genoemde deskundigen, een belastbaarheidspatroon opgesteld, waarna arbeidsdeskundige J. Zoetelief een aantal functies heeft geselecteerd die als passend voor appellant zijn aangemerkt. Vergelijking van het maatmaninkomen met de mediane loonwaarde van de bij de schatting gebruikte functies levert geen relevant verlies aan verdienvermogen meer op.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.
Ook de Raad ziet geen aanleiding tot het oordeel te komen dat het Uwv de medische beperkingen van appellant op de datum in geding heeft onderschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de internist Teng appellant geschikt acht voor een volledige dagtaak zonder beperkingen en psychiater Lubberding weliswaar spreekt van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, maar zich niet uitlaat over de arbeidsmogelijkheden van appellant. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek naar de medische beperkingen van appellant voldoende zorgvuldig geweest en kon het Uwv uit de beschikbare medische gegevens de conclusie trekken dat appellant belastbaar was met arbeid. Aan de schatting zijn voorts functies ten grondslag gelegd waarvan in voldoende mate is aangetoond dat deze representatief zijn voor de datum in geding en waarvan de Raad geen redenen heeft aan te nemen dat de functies niet voor appellant geschikt zijn.
Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.