ECLI:NL:CRVB:2006:AY8159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Tweede WAO-aanvraag ten onrechte als herhaalde aanvraag afgewezen
Appellant diende op 4 januari 2000 een WAO-uitkeringsaanvraag in die door het UWV werd afgewezen omdat appellant niet tot de verzekerdenkring behoorde. Na bezwaar en een niet-ontvankelijk verklaard beroep, diende appellant op 14 november 2001 een tweede aanvraag in met terugwerkende kracht tot de eerste ziektedag in 1997. Het UWV weigerde deze aanvraag als herhaalde aanvraag op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de tweede aanvraag geen herhaalde aanvraag was, omdat deze betrekking had op een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag die nog niet was beoordeeld. Hierdoor was toepassing van artikel 4:6 Awb Pro niet op zijn plaats.
Verder stelde de Raad vast dat het UWV de aanvraag niet adequaat had behandeld, omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek ontbrak om vast te stellen of appellant op de gestelde eerste ziektedag arbeidsongeschikt was. Ook oordeelde de Raad dat formele criteria uit de Ziektewet en WAO niet toegepast kunnen worden bij aanvragen met terugwerkende kracht.
De Centrale Raad vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, met de opdracht een nieuw besluit te nemen dat rekening houdt met deze uitspraak.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.