ECLI:NL:CRVB:2006:AY8180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens werknemersfraude en anticumulatieperiode
Appellant ontving sinds 1994 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op grond van een fraudeonderzoek vast dat appellant in 2000 en 2001 onrechtmatig werkte, wat leidde tot een herbeoordeling en intrekking van zijn uitkering per 20 november 2000. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde om het tegendeel aan te tonen en dat de vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentages over de periodes 22 mei tot 21 augustus 2000 en 21 augustus tot 20 november 2000 terecht waren vastgesteld.
Echter, de Raad stelde vast dat de intrekking van de uitkering per 20 november 2000 onzorgvuldig was omdat geen medisch onderzoek had plaatsgevonden om de gewijzigde medische situatie te beoordelen, terwijl appellant in oktober 2001 nog als volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd. De Raad vernietigde daarom dit deel van het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verder werd vastgesteld dat de anticumulatieperiode van drie jaar niet was verstreken, waardoor de fictie van artikel 44, tweede lid, WAO niet van toepassing was. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten aan appellant en bevestigde het overige van de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 20 november 2000 wordt vernietigd wegens onzorgvuldigheid, overige besluiten worden bevestigd.