ECLI:NL:CRVB:2006:AY8182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en weigering ziekengeld na ziekmelding in WW-situatie
Appellant, werkzaam via een uitzendbureau in een rozenkwekerij, meldde zich in 2000 ziek wegens buikklachten en onderging meerdere operaties. Na een WAO-uitkering werd deze per maart 2003 ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. In bezwaar werd dit herzien naar 15-25%. De Raad stelde vast dat de belastbaarheid juist was vastgesteld op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en dat de geselecteerde functies passend waren.
Na een ziekmelding in het kader van de WW in september 2003, werd door de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant geen wezenlijke verslechtering had en geschikt was voor ten minste één van de geduide functies. Het Uwv besloot daarom geen ziekengeld toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige gronden juist waren en dat appellant niet kon aantonen dat zijn beperkingen waren toegenomen. De geschiktheid van functies werd nader toegelicht, waarbij enkele functies vervielen vanwege te hoge fysieke belasting. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de weigering van ziekengeld na ziekmelding in de WW-periode.