ECLI:NL:CRVB:2006:AY8226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht en de weigering van wettelijke rente over de nabetaling.
Appellant had het WW-dagloon van betrokkene met ingang van 3 januari 1994 toegekend en later, na een verzoek van betrokkene in oktober 2001, met terugwerkende kracht verhoogd. De wettelijke rente over de nabetaling werd door appellant geweigerd, wat door de rechtbank onterecht werd bevonden. De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat wettelijke rente vanaf 1 februari 1994 verschuldigd was.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het standpunt van appellant dat de rechtbank het besluit terecht heeft vernietigd, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen, en appellant wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, rekening houdend met de overwegingen van de Raad.
Daarnaast veroordeelt de Raad appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige beslissingen binnen de wettelijke termijnen en de correcte toepassing van wettelijke rente bij nabetalingen in het kader van sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het nemen van een nieuw besluit.