ECLI:NL:CRVB:2006:AY8226

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03-2513 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht en de weigering van wettelijke rente over de nabetaling.

Appellant had het WW-dagloon van betrokkene met ingang van 3 januari 1994 toegekend en later, na een verzoek van betrokkene in oktober 2001, met terugwerkende kracht verhoogd. De wettelijke rente over de nabetaling werd door appellant geweigerd, wat door de rechtbank onterecht werd bevonden. De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat wettelijke rente vanaf 1 februari 1994 verschuldigd was.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het standpunt van appellant dat de rechtbank het besluit terecht heeft vernietigd, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen, en appellant wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, rekening houdend met de overwegingen van de Raad.

Daarnaast veroordeelt de Raad appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige beslissingen binnen de wettelijke termijnen en de correcte toepassing van wettelijke rente bij nabetalingen in het kader van sociale zekerheidsuitkeringen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het nemen van een nieuw besluit.

Uitspraak

03/2513 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2003, 02/633 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 27 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij besluit van 5 februari 2002 heeft appellant, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 8 oktober 2001, het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 20 februari 2002 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij bestreden besluit op bezwaar van 23 april 2002 is die weigering gehandhaafd.
Volgens de rechtbank heeft appellant ten onrechte geweigerd wettelijke rente te vergoeden. Het besluit van 27 januari 1994 moet als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 27 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van acht jaar verzocht om herziening van het dagloon.
Appellant erkent dat binnen de wettelijke beslistermijn had moeten worden beslist op het verzoek van betrokkene van 8 oktober 2001. Door eerst op 5 februari 2002 te beslissen, is die beslistermijn overschreden. Appellant meent ingaande 1 januari 2002 gehouden te zijn tot vergoeding van wettelijke rente.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Dat betekent dat de rechtbank weliswaar het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
Appellant dient met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene.
De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
EK2406