ECLI:NL:CRVB:2006:AY8227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03-2738 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente

De zaak betreft een geschil tussen betrokkene en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de verhoging van het WW-dagloon met terugwerkende kracht en de vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling.

Betrokkene kreeg in 1994 een WW-uitkering toegekend op basis van een vastgesteld dagloon. Na een verzoek in 2001 werd het dagloon in 2002 met terugwerkende kracht verhoogd. Het UWV weigerde echter wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden en handhaafde die weigering in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het UWV onrechtmatig had gehandeld en dat wettelijke rente vanaf 1 februari 1994 verschuldigd was.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het standpunt van het UWV dat de rechtbank het besluit terecht vernietigde, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep van het UWV slaagt daarom niet. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene, met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en het instituut moet een nieuw besluit nemen over de vergoeding van wettelijke rente.

Uitspraak

03/2738 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 april 2003, 02/1616 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 april 2003, 02/1616.
Namens betrokkene heeft mr. R.H.L. van de Laar, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 juli 2006 heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, zich als gemachtigde van betrokkene gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 27 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 5 oktober 2001 heeft appellant bij besluit van 4 april 2002 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 24 juni 2002 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij bestreden besluit op bezwaar van 23 oktober 2002 is die weigering gehandhaafd.
Volgens de rechtbank heeft appellant ten onrechte geweigerd wettelijke rente te vergoeden. Het besluit van 27 januari 1994 moet als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 27 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van acht jaar verzocht om herziening van het dagloon.
Appellant erkent dat binnen de wettelijke beslistermijn had moeten worden beslist op het verzoek van betrokkene van 5 oktober 2001. Door eerst op 4 april 2002 te beslissen, is die beslistermijn overschreden. Appellant meent gehouden te zijn ingaande 1 januari 2002 gehouden te zijn tot vergoeding van wettelijke rente.
De Raad overweegt als volgt.
De aangevallen uitspraak heeft betrekking op de hoogte van het dagloon en de vergoeding van wettelijke rente. In het inleidend hoger beroepschrift heeft appellant verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen. In het aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant het hoger beroep echter expliciet beperkt tot de aangevallen uitspraak, voorzover die ziet op de vergoeding van wettelijke rente. Dit brengt mee dat het toegekende registratienummer 03/2739 WW komt te vervallen. Voor een
niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, voorzover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak in zoverre die betrekking heeft op de hoogte van het dagloon, bestaat dan ook geen aanleiding. Voor een proceskostenveroordeling die verband houdt met het voorgaande acht de Raad ook geen termen aanwezig, reeds niet nu er voorafgaand aan de ontvangst van het aanvullend hoger beroepschrift geen voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen zijn verricht.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Dat betekent dat de rechtbank weliswaar het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
Appellant dient met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene.
De Raad ziet in één en ander aanleiding appellant te veroordelen tot betaling van de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, met dien verstande dat appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
EK2406