ECLI:NL:CRVB:2006:AY8227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een geschil tussen betrokkene en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de verhoging van het WW-dagloon met terugwerkende kracht en de vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling.
Betrokkene kreeg in 1994 een WW-uitkering toegekend op basis van een vastgesteld dagloon. Na een verzoek in 2001 werd het dagloon in 2002 met terugwerkende kracht verhoogd. Het UWV weigerde echter wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden en handhaafde die weigering in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het UWV onrechtmatig had gehandeld en dat wettelijke rente vanaf 1 februari 1994 verschuldigd was.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het standpunt van het UWV dat de rechtbank het besluit terecht vernietigde, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep van het UWV slaagt daarom niet. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene, met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en het instituut moet een nieuw besluit nemen over de vergoeding van wettelijke rente.