ECLI:NL:CRVB:2006:AY8236

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-483 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WAO-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente

De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een betrokkene over de verhoging van het WAO-dagloon met terugwerkende kracht en de weigering van het UWV om wettelijke rente te betalen over de nabetaling.

Betrokkene kreeg op 26 november 1986 een WAO-uitkering toegekend met een vastgesteld dagloon. Na een verzoek tot herziening van het dagloon op 6 juli 2002 verhoogde het UWV het dagloon met terugwerkende kracht per 27 augustus 1986. Het UWV weigerde echter wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, wat bij bezwaar werd bevestigd.

De rechtbank Maastricht oordeelde dat het UWV vanaf 14 dagen na het verzoek van 6 juli 2002 wettelijke rente moest betalen. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de gevolgen van de oorspronkelijke onrechtmatige dagloonvaststelling voor rekening van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene geen rechtsmiddel had aangewend binnen de daarvoor geldende termijn.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het standpunt van het UWV over de ingangsdatum van de wettelijke rente en verwierp het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Maastricht vernietigd.

Uitspraak

04/483 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 december 2003, 03/475 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 december 2003, kenmerk 03/475.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 26 november 1986 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 27 augustus 1986 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 6 juli 2002 heeft appellant bij besluit van 6 september 2002 het WAO-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 4 februari 2003 heeft appellant geweigerd wettelijke rente toe te kennen over de nabetaling. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 11 maart 2003 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Volgens de rechtbank dient appellant ingaande 14 dagen na 6 juli 2002 wettelijke rente te vergoeden.
Appellant erkent dat het besluit van 26 november 1986 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van lange tijd verzocht om herziening van het dagloon. Nu de beslistermijn op het verzoek van 6 juli 2002 niet is overschreden, meent appellant eerst ingaande 1 oktober 2002 wettelijke rente verschuldigd te zijn over de nabetaling die na die datum heeft plaatsgevonden.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente. Uit de uitspraak van de Raad van 14 juli 2005 (LJN AU0008) volgt dat het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
EK2406