ECLI:NL:CRVB:2006:AY8236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WAO-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een betrokkene over de verhoging van het WAO-dagloon met terugwerkende kracht en de weigering van het UWV om wettelijke rente te betalen over de nabetaling.
Betrokkene kreeg op 26 november 1986 een WAO-uitkering toegekend met een vastgesteld dagloon. Na een verzoek tot herziening van het dagloon op 6 juli 2002 verhoogde het UWV het dagloon met terugwerkende kracht per 27 augustus 1986. Het UWV weigerde echter wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, wat bij bezwaar werd bevestigd.
De rechtbank Maastricht oordeelde dat het UWV vanaf 14 dagen na het verzoek van 6 juli 2002 wettelijke rente moest betalen. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de gevolgen van de oorspronkelijke onrechtmatige dagloonvaststelling voor rekening van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene geen rechtsmiddel had aangewend binnen de daarvoor geldende termijn.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het standpunt van het UWV over de ingangsdatum van de wettelijke rente en verwierp het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Maastricht vernietigd.