ECLI:NL:CRVB:2006:AY8248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering ongehuwdentoeslag door UWV na echtscheiding
Appellant ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een gehuwdentoeslag op grond van de Toeslagenwet. Na zijn echtscheiding en verhuizing in oktober 2002 meldde appellant zijn gewijzigde gezinssituatie aan het UWV. Het UWV herzag daarop de toeslag en stelde deze met terugwerkende kracht vast als ongehuwdentoeslag, waarna het een bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslag terugvorderde.
Appellant voerde aan dat de terugvordering onterecht was, onder meer vanwege de terugwerkende kracht en het late tijdstip van terugvordering, en beriep zich op het fair play-beginsel. Ook vorderde hij immateriële schadevergoeding wegens psychisch en financieel leed. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs kon begrijpen dat zijn echtscheiding gevolgen had voor zijn toeslag, dat het UWV tijdig was geïnformeerd en dat het terugvorderen van de onverschuldigde toeslag rechtmatig was op grond van artikel 20 van Pro de Toeslagenwet. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, en het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat het UWV niet onzorgvuldig had gehandeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de toeslag met terugwerkende kracht mocht herzien en de onverschuldigde toeslag mocht terugvorderen.