ECLI:NL:CRVB:2006:AY8279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming onderwijsbijdrage wegens kinderbijslagrangorde
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) voor zijn dochter, welke door de IB-Groep is afgewezen omdat de ex-echtgenote van appellant kinderbijslag ontving over het tweede kwartaal van 2004.
Appellant voerde aan dat zijn dochter vanaf juni 2004 bij hem woonde en aan het begin van het schooljaar 2004-2005 bij hem was ingeschreven, en dat het onredelijk was dat de tegemoetkoming aan zijn ex-echtgenote werd toegekend terwijl hij alle schoolkosten droeg.
De Raad overwoog dat volgens artikel 1.1, tweede lid, van de WTOS de rangorde voor toekenning van de tegemoetkoming bepaalt dat de wettelijke vertegenwoordiger die kinderbijslag ontving in het tweede kwartaal voorrang heeft boven degene bij wie het kind op 1 augustus staat ingeschreven.
Omdat de ex-echtgenote kinderbijslag ontving, was zij gerechtigd tot de tegemoetkoming en kon appellant zich niet beroepen op de inschrijving van zijn dochter bij hem.
De Raad vond dat de IB-Groep de wet correct had toegepast en dat het ervaren onredelijkheid geen reden was om af te wijken van de wettelijke regels. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de tegemoetkoming bevestigd.