ECLI:NL:CRVB:2006:AY8379

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/6574 WW, 05/6561 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging fictieve opzegging dienstbetrekkingen bij betalingsonmacht werkgever

Appellanten, twee administratief medewerkers van een transportbedrijf, hebben het UWV verzocht de loonbetalingen van hun werkgever over te nemen wegens betalingsonmacht. Het UWV stelde vast dat de werkgever per 31 januari 2003 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde en wees deze datum aan als fictieve dag van opzegging van de dienstbetrekkingen.

Appellanten voerden aan dat zij na deze datum nog werkzaamheden hadden verricht, maar de Raad vond hiervoor geen steun in de stukken. Het enkele feit dat één appellant op 21 mei 2003 een deel van de boekhouding aan de belastingdienst overhandigde, werd niet als werk in dienstbetrekking beschouwd.

De Raad overwoog dat het UWV bevoegd was een fictieve opzegdatum aan te wijzen en dat het redelijk was om 31 januari 2003 als zodanig te beschouwen, gelet op het lege kantoorpand en het onvindbaar zijn van de werkgever. De rechtbank had dit oordeel al bevestigd en de Raad bevestigde dit bij hoger beroep.

Er werden geen gronden gevonden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat de fictieve opzegging op 31 januari 2003 rechtsgeldig is vastgesteld, waardoor de loonbetalingsverplichtingen van de werkgever vanaf die datum overgenomen konden worden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de fictieve opzegging van de dienstbetrekkingen per 31 januari 2003.

Uitspraak

05/6574 WW en 05/6561 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellant 1], wonende te [woonplaats], en [appellant 2], wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank van Almelo van 30 september 2005, 04/658 en 04/659, (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellanten
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Appellante [appellant 1] is verschenen, mede als gemachtigde voor appellant [appellant 2]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Dijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Onder verwijzing naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak voor een meer uitvoerige weergave van de van belang zijnde feiten, volstaat de Raad hier met het volgende.
2.1. Volgens eigen opgave is appellante [appellant 1] op 1 september 2002 als administratief medewerkster en appellant [appellant 2] ingaande 1 december 2002 als administratief medewerker/planner in dienst getreden van het transportbedrijf [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Zij hebben op 10 november 2003 het Uwv verzocht de achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever vanaf december 2002 met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Het Uwv heeft aangenomen dat de werkgever op 31 januari 2003 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde. Bij besluiten van 2 december 2003 respectievelijk 5 december 2003 heeft het Uwv appellanten, in afwachting van een onderzoek naar de hoogte van het loon, een voorschot toegekend op het over te nemen loon over maximaal 13 weken voorafgaand aan de dag van opzegging en over de opzegtermijn, welke is gesteld op de periode van
31 januari 2003 tot en met 28 februari 2003. Daarbij heeft het Uwv de datum 31 januari 2003 aangemerkt als dag van opzegging als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder a, van de WW.
2.2. Bij de bestreden besluiten van 3 juni 2004 respectievelijk 4 juni 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellanten tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat op grond van de door appellanten aangeleverde gegevens duidelijk is geworden dat er geen loonbetalingen door de werkgever meer hebben plaatsgevonden, dat er op
31 januari 2003 niemand meer op het bedrijf te bereiken was en dat op die dag het kantoorpand leeg is aangetroffen. Volgens het Uwv had het appellanten op die datum redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de werkgever niet meer voornemens was het loon te betalen, ongeacht of er nog werkzaamheden werden verricht. Het Uwv neemt aan dat de werkgever in elk geval per die datum met de noorderzon is vertrokken.
3. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen de dienstbetrekkingen fictief op te zeggen per 31 januari 2003.
4. Appellanten bestrijden in hoger beroep de in aanmerking genomen datum van opzegging, 31 januari 2003, omdat zij ook na die datum hebben gewerkt.
5. Ter beoordeling staat de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over de bestreden besluiten. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Appellanten bestrijden niet dat de werkgever op 31 januari 2003 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde. Zij stellen dat zij nog tot 24 mei 2003 (appellante [appellant 1] heeft toen een auto-ongeval gehad) respectievelijk 25 maart 2003 (appellant [appellant 2] heeft toen letstel aan zijn voet door een dolly opgelopen) hebben gewerkt. Voor het standpunt van appellanten dat zij in het kader van de dienstbetrekking met de werkgever (substantieel) werkzaamheden hebben verricht is naar het oordeel van de Raad in de stukken geen steun te vinden. Het enige dat daaraan valt te ontlenen is dat appellante [appellant 1] op 21 mei 2003 het nog in haar bezit zijnde gedeelte van de boekhouding aan de belastingdienst heeft overhandigd. Dat betekent geenszins dat zij tot die datum voor de werkgever heeft gewerkt. De Raad onderschrijft het standpunt van appellanten dan ook niet, nog daargelaten welke betekenis zij verder aan dat standpunt willen verbinden voor de toepassing van de onderhavige wetsbepalingen.
5.2. Vaststaat voorts dat de dienstbetrekkingen van appellanten niet zijn opgezegd. Uit de tekst en de ontstaansgeschiedenis van artikel 64 van Pro de WW is af te leiden dat de wetgever, ingeval geen opzegging heeft plaatsgevonden, de mogelijkheid van aanwijzing van een fictieve dag van opzegging heeft willen scheppen. Het Uwv was derhalve bevoegd een dag van opzegging aan te wijzen. Het Uwv heeft de datum 31 januari 2003 aangewezen, in de eerste plaats omdat appellante [appellant 1] op die datum, blijkens haar schrijven aan de belastingdienst, een leeg pand aantrof en het niet mogelijk was gebleken contact met iemand van het bedrijf te krijgen. Verder is het Uwv uit de stukken gebleken dat de werkgever blijkbaar onvindbaar was, waardoor de pogingen om hem failliet te doen verklaren zijn gestrand.
5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing om 31 januari 2003 aan te merken als de dag waarop de dienstbetrekkingen van appellanten redelijkerwijs hadden moeten worden opgezegd.
6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
6.1. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S.H. Peper.