ECLI:NL:CRVB:2006:AY8379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fictieve opzegging dienstbetrekkingen bij betalingsonmacht werkgever
Appellanten, twee administratief medewerkers van een transportbedrijf, hebben het UWV verzocht de loonbetalingen van hun werkgever over te nemen wegens betalingsonmacht. Het UWV stelde vast dat de werkgever per 31 januari 2003 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde en wees deze datum aan als fictieve dag van opzegging van de dienstbetrekkingen.
Appellanten voerden aan dat zij na deze datum nog werkzaamheden hadden verricht, maar de Raad vond hiervoor geen steun in de stukken. Het enkele feit dat één appellant op 21 mei 2003 een deel van de boekhouding aan de belastingdienst overhandigde, werd niet als werk in dienstbetrekking beschouwd.
De Raad overwoog dat het UWV bevoegd was een fictieve opzegdatum aan te wijzen en dat het redelijk was om 31 januari 2003 als zodanig te beschouwen, gelet op het lege kantoorpand en het onvindbaar zijn van de werkgever. De rechtbank had dit oordeel al bevestigd en de Raad bevestigde dit bij hoger beroep.
Er werden geen gronden gevonden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat de fictieve opzegging op 31 januari 2003 rechtsgeldig is vastgesteld, waardoor de loonbetalingsverplichtingen van de werkgever vanaf die datum overgenomen konden worden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de fictieve opzegging van de dienstbetrekkingen per 31 januari 2003.