ECLI:NL:CRVB:2006:AY8481

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6818 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid tot arbeid ondanks psychische klachten

Appellant, werkzaam als schoonmaker en aftanker van bussen, meldde zich op 21 september 2002 ziek vanwege psychische klachten. Na meerdere beoordelingen door verzekeringsartsen werd hij per 30 juni 2003 hersteld verklaard en werd het recht op ziekengeld beëindigd. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het UWV.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, waarbij zij het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeelde. In hoger beroep werd een brief van een neuroloog overgelegd waaruit bleek dat appellant leed aan een depressie gerelateerd aan sociale problematiek.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ondanks de psychische klachten en sociale problemen, de arbeidsdeskundige rapportage en het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voldoende gronden boden om te concluderen dat appellant in staat was zijn arbeid te verrichten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet noodzakelijk geacht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 30 juni 2003.

Uitspraak

04/6818 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2004, 03/4809 hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.R. Hettema, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.
Voor appellant is verschenen mr. Hettema voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, werkzaam als schoonmaker en aftanker van bussen, heeft zich op
21 september 2002 ziek gemeld wegens psychische klachten. In verband met de ziekmelding is appellant gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts van
9 januari, 8 mei en 26 juni 2003. Bij de laatste beoordeling heeft de verzekeringsarts appellant per 30 juni 2003 hersteld verklaard.
Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 30 juni 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat hij per die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 september 2003
(bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken bezwaarverzekeringsarts, die naar het oordeel van de rechtbank blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 26 januari 2005 de Raad een brief van de zenuwarts H. Loen van 25 januari 2005 doen toekomen, waaruit blijkt dat appellant lijdt aan een depressie met name naar aanleiding van sociale problematiek.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een andersluidend oordeel.
Bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer constateerde in de rapportage van
8 september 2006 grote sociale problemen met daarnaast lichte surmenageklachten. Ondanks de psychische klachten, zag de bezwaarverzekeringsarts mede op grond van de gegevens van de behandelend sector en de rapportage van de arbeidsdeskundige
- waaruit blijkt dat er in psychisch opzicht geen hoge eisen worden gesteld aan appellants arbeid - geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. De klachten die door Cramer zijn onderkend liggen in de lijn met de door Loen gestelde conclusie. Dit in aanmerking genomen heeft de bezwaarverzekeringsarts - naar het oordeel van de Raad op goede gronden - de conclusie getrokken dat appellant in staat moest worden geacht om zijn arbeid te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.
Ch. van Voorst.
P. van der Wal.
MR