ECLI:NL:CRVB:2006:AY8541

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/5859 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • M.I. ’t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij hoger beroep WWB

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem in een WWB-zaak, maar deed dit buiten de wettelijke termijn van zes weken. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege deze termijnoverschrijding.

Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing door verzet aan te tekenen. Dit verzet werd behandeld op 19 juli 2006, waarbij appellant aanwezig was en het College van burgemeester en wethouders van Haarlem niet.

De Raad oordeelde dat de door appellant aangevoerde excuses, waaronder een vergissing in de einddatum, onvoldoende waren om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij het hoger beroep.

Uitspraak

05/5859 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 augustus 2005, 05/260 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, (hierna: College)
Datum uitspraak: 9 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 14 maart 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 14 maart 2006 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 19 juli 2006, waar appellant is verschenen en het College - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 14 maart 2006 berust hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat hetgeen ter excusering daarvan is aangevoerd - er op neerkomend dat appellant zich in de juiste einddatum heeft vergist - geen aanknopingspunten biedt om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
De Raad ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan in zijn genoemde uitspraak. Hetgeen appellant in verzet aanvoert
- in essentie een herhaling van zijn eerdere stellingen - bevat geen aanknopingspunten welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellant de gevolgen van zijn door eigen (processueel) handelen ontstane verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.